www.uhasselt.be
DSpace

Document Server@UHasselt >
Education >
Faculty of Business Economics >
Master theses >

Please use this identifier to cite or link to this item: http://hdl.handle.net/1942/3119

Title: Goodwill en fusies in het kader van IFRS 3
Authors: VAN DEN EYNDE, Kim
Advisors: MERCKEN, R.
Issue Date: 2007
Publisher: UHasselt
Abstract: In deze eindverhandeling staat de overgang naar IFRS centraal en dan vooral met betrekking tot bedrijfscombinaties en de behandeling van goodwill die hier vaak mee gepaard gaat. De relevantie van dit onderwerp schuilt in het feit dat goodwill niet langer wordt afgeschreven over een vaste levensduur, maar jaarlijks getest dient te worden op bijzondere waardeverminderingsverliezen door middel van een impairment test. Door het wegvallen van afschrijvingen, kan men veronderstellen dat het nettoresultaat van ondernemingen over het algemeen zal toenemen als gevolg van de overgang naar de nieuwe internationale standaarden. Vooraleer deze assumptie wordt getest voor Nederlandse beursgenoteerde ondernemingen in het praktijkonderzoek, gaat de eindverhandeling van start met de uiteenzetting van het praktijkprobleem en een uitgebreide literatuurstudie. De literatuurstudie wordt uitgewerkt in de hoofdstukken twee tot en met vijf. Hoofdstuk twee duidt eerst en vooral op de noodzaak van duidelijke en consistente standaarden voor het verwerken van fusies en overnames. De toenemende internationalisering van de bedrijfswereld en het grote aantal risico’s en falingen die bedrijfscombinaties teweegbrengen, zetten standaardzetters aan tot het verbeteren en harmoniseren van nationale grondslagen voor rapportering. Zo wordt doorheen het hoofdstuk aangetoond hoe deze evolutie zich voordeed en wordt er kort verwezen naar enkele nationale standaarden - Belgian GAAP, Dutch GAAP en US GAAP - omdat ze verder ook ter sprake komen in deze eindverhandeling. In hoofdstuk drie worden de bepalingen van IFRS 3 Bedrijfscombinaties uiteengezet. Naast het toepassingsgebied is het meest cruciale aspect de manier waarop bedrijfscombinaties verwerkt dienen te worden. Vanaf de toepassing van IFRS 3, worden alle bedrijfscombinaties aanzien als overnames en verwerkt via de overnamemethode. De bespreking van de standaarden op zich wordt aangevuld met nuances en interpretaties van voornamelijk de Big Four en een vergelijking met de voorgaande nationale standaarden en IAS, de voorganger van de IFRS. De conclusie van dit onderdeel is tweeledig: er blijken heel wat verbeteringen gerealiseerd en belanghebbenden hebben een veel beter idee van wat de overname inhoudt. Misbruiken van vroegere methodes worden teruggedrongen. Langs de andere kant zijn gebruikers van financiële informatie (zoals analisten) nog niet helemaal vertrouwd met IFRS en worden de standaarden vaak als complex ervaren. Hoofdstuk vier gaat vervolgens nog specifieker in op de verwerking van goodwill, waardoor eveneens de link wordt gelegd met IAS 36 Impairment of Assets. Dit hoofdstuk blijft vrijwel volledig beperkt tot de uiteenzetting van de standaard, waarna hoofdstuk vijf hiervan enkele aspecten uitdiept. Omdat het praktijkonderzoek zich richt op Nederlandse ondernemingen wordt hier reeds verwezen naar de Nederlandse boekhoudwetgeving. In de literatuur wordt het onmiddellijk duidelijk dat zelfs binnen dezelfde nationale grondslagen, verschillende interpretaties van goodwill voorkomen. Sommige ondernemingen boekten goodwill onmiddellijk af van het eigen vermogen, waardoor het volledig onzichtbaar werd op de balans en de rentabiliteit van het eigen vermogen niet meer realistisch was. Vervolgens gaf de Raad voor de Jaarverslaggeving meer en meer de voorkeur aan het activeren en afschrijven van goodwill. Onder invloed van de Verenigde Staten en later IFRS, komt ten slotte het huidige alternatief ter sprake: activering van goodwill zonder afschrijving, maar met een jaarlijkse impairment test. Het eerste deel van hoofdstuk zes vormt het scharnier tussen de literatuur en de praktijk. De populatie van het praktijkonderzoek wordt er verduidelijk en bestaat uit Nederlandse beursgenoteerde ondernemingen die voor de eerste maal IFRS toepasten in 2005, ook wel first-time adopters genoemd. Zij dienen bij de overgang naar IFRS een reconversienota op te nemen. In deze reconversienota geeft elke first-time adopter in haar jaarverslag aan welke wijzigingen IFRS teweeg brengt in het resultaat en het eigen vermogen. Vervolgens zet hoofdstuk zes het praktijkonderzoek verder uiteen. Uit een populatie van Nederlandse beursgenoteerde ondernemingen worden uiteindelijk 46 bedrijven geselecteerd waarvan de jaarverslagen worden geraadpleegd. De analyse van deze cijfers leidt tot de conclusie dat bedrijven met meer goodwill op hun balans, ook een grotere toename van het resultaat ondervinden. Het gevonden verband wordt in tabellen en grafieken weergegeven en vervolgens besproken. Tot slot volgt een korte vergelijking met een een gelijkaardig onderzoek binnen de Belgische beursgenoteerde ondernemingen. In hoofdstuk zeven worden twee diepte-interviews met bevoorrechte getuigen verwerkt. Het gaat hier om IFRS-experten van Ernst & Young, welke verschillende aspecten van zowel de literatuurstudie als het praktijkonderzoek toelichten. Het gevonden verband tussen de stijging in het resultaat en het bedrag aan goodwill op de balans wordt door beiden grondig genuanceerd. Een onderzoek van Ernst & Young toont immers een tegenstrijdigheid aan met de conclusies over Belgische beursgenoteerde ondernemingen. Volgens de studie van het auditkantoor heeft de overgang naar IFRS een daling van het resultaat tot gevolg en dit in tegenstelling tot de verwachte stijging. De gecontacteerde personen achterhalen daarom enkele redenen voor een mogelijke scheeftrekking van de resultaten. Zij bespreken eveneens hoe bedrijfscombinaties en goodwill in de praktijk worden verwerkt. IFRS 3 en IAS 36 zorgen volgens auditors voor heel wat meer transparantie en openheid naar de lezers van financiële staten. Over het algemeen zijn zowel de auditkantoren als de bedrijfswereld tevreden over de nieuwe standaarden. Toch is er voor beide partijen ook een keerzijde van de medaille. Er komt bij IFRS heel wat meer interpretatiewerk aan te pas omdat de standaarden ‘principles-based’ zijn en niet altijd concrete regels bevatten voor een bepaald probleem. Bovendien zorgt de impairment test voor meer wisselende resultaten, zodat men sterkere pieken en dalen kan verwachten in de resultatenrekening. Tot slot hebben zowel Belgische als Nederlandse bedrijven nog een hele weg af te leggen om de nodige kennis te vergaren over een correcte toepassing van de standaarden. Momenteel zijn de impairmentmodellen van de meeste ondernemingen nog ontoereikend voor correcte afwaarderingen van goodwill. IFRS-experten wijzen daarom op huidige overwaarderingen van goodwill in de balans. Toch benadrukken zij eveneens dat de meerderheid van de bedrijven de juiste intentie heeft om goed te rapporteren en dat fouten meer en meer vermeden zullen worden in de toekomst. Het laatste hoofdstuk formuleert enkele conclusies over de literatuurstudie en het praktijkonderzoek. Beide worden met elkaar in verband gebracht waardoor hoofdstuk acht een synthese vormt van de belangrijkste bevindingen, welke eveneens een terugkoppeling zijn naar de centrale onderzoeksvraag. Tot slot worden enkele aanbevelingen geformuleerd voor verder onderzoek en wordt de eindverhandeling beëindigd met de voornaamste leerervaringen.
Notes: 3de jaar Handelsingenieur - major Accountancy en financiering
URI: http://hdl.handle.net/1942/3119
Category: T2
Type: Theses and Dissertations
Appears in Collections: Master theses

Files in This Item:

Description SizeFormat
N/A517.01 kBAdobe PDF

Items in DSpace are protected by copyright, with all rights reserved, unless otherwise indicated.