www.uhasselt.be
DSpace

Document Server@UHasselt >
Research >
Research publications >

Please use this identifier to cite or link to this item: http://hdl.handle.net/1942/21520

Title: Traversing the interior landscape: five dialogues in existential space
Other Titles: Het binnenlandschap doorkruisen: vijf dialogen in wezenlijke ruimte
Authors: Roes, Remco
Advisors: Pint, Kris
Issue Date: 2016
Abstract: “Traversing the interior landscape: five dialogues in existential space” examines how existing spaces can be used as a basis for their rearrangement into meaningful, exitential (‘wezenlijke’) places. The research consists of a textual part and an artistic part (a series of works and exhibitions, including a retrospective on show in CIAP (Hasselt) from december 2015 – march 2016). One of the innovative aspects of this research is the unique methodology that was used. Through the point of view of four characters – the scholar, the teacher, the artist and the observer – light is shed on different positions within the ‘research field’.The first chapter is aimed at the problem of the text and the act of speaking. At this early stage, the characters have not yet really developed a sense of their own physical bodies. It is mostly through their words that they attempt to attain some form of grip on the abstract space in which they find themselves. Over the course of the conversation more and more attempts are made to incorporate the spatiality of the research into the language of the conversation. In doing so, the conversation oscillates between cartography – as the provider of models that represent the field of research and instruments that allow the plotting of a future course – and the singularity of the spatial experience: being present in one specific place. Around these two poles a site develops – the place where the characters find themselves. The chapter ends with the conclusion that the interaction between this abstract space and the artistic works needs to be explored in greater detail. This demand finds a response in the second chapter, in the form of a metaphorical walk through a number of artistic works. On the basis of this exploration, two spatial typologies come to light: FIELD and CONSTELLATION. FIELD represents the way in which I experience the space around me, in particular the kind of spatiality I experience whilst I am making a work. CONSTELLATION describes the simultaneous order and compression that an artistic work attempts to distill from the FIELD. Over the course of the conversation, the wider (social and spatial) relevance of this typology is also questioned, for instance by discussing works by other artists. Precisely that approach – at some distance from my own artistic work – is able to disclose a different way of looking at – but also engaging with – the everyday space that surrounds us. During the conversation, it becomes increasingly apparent that the value of a spatial constellation can only be partially attributed to the physical end result. The mental attitude and the process of its realisation represent an equally important part of its (spatial) make-up. That insight gives rise to the final three typologies, that coincide with the final chapters: GARDEN, MONUMENT and HOUSE. Due to the emphasis on the process, these can all also be translated into three modes of acting: GARDENING, COMMEMORATING and DWELLING. The third chapter, GARDEN or GARDENING, explores the attentive cultivation of a delineated part of the world. On the one hand, the conversation is concerned with the conceptual distinction between culture and nature, intention and coincidence, and the work of art and ‘reality’. On the other hand, the chapter explores how concrete spaces and art works can be approached as gardens; as systems that have only been partially shaped by intentions – and that have been cared for over a long period of time. The conversation enquires about the value and necessity of these kinds of places, on a personal level, and with regard to society as a whole. Chapter four, MONUMENT, explores the physical object and physical space, as a carrier of (cultural) significance. At the same time – through the act of COMMEMORATING – it asks what is worth being remembered. What, out of the multiplicity of the reality of everyday life, is worth showing (someone else)? These fragile questions that strive to uncover ‘meaning’ are confronted with the urban space of metropolitan Berlin, as a stage for a large part of the conversations. The presence of Berlin creates a field of tension between the personal monumentality of life and the collective monumentality of a shared urban space. The last chapter, HOUSE or DWELLING, acts as the conclusion – as the end of speaking. It is a typology that is not in the first place explored spatially, but instead enquires about the metaphorical homecoming of the characters. In line with the nomadic nature of the project – which aligns in some ways to the uprooted, highly technological and complex times in which we live – this chapter asks each of the characters to declare the foundations of their own respective houses. It enquires about the strategies that allow them to be (fully) present on this earth in a substantial (wezenlijke) manner.
"Het binnenlandschap doorkruisen: vijf dialogen in wezenlijke ruimte" onderzoekt hoe bestaande ruimtes gebruikt kunnen worden voor hun eigen herschikking tot wezenlijke plekken. Het onderzoek bestaat uit een tekstueel luik en een artistiek luik (een reeks artistieke werken en een overzichtstentoonstelling die van december 2015 tot maart 2016 te zien was in CIAP te Hasselt). Een van de innovatieve aspecten van het onderzoek is de unieke methodologie die gebruikt is. Via de stemmen van een wetenschapper, een kunstenaar, een architect/docent en een toeschouwer, wordt gehoor gegeven aan de verschillende standpunten die tijdens het onderzoek verkend zijn. De vier imaginaire personages ontwikkelen een dialectiek en tonen, elk vanuit hun eigen invalshoek, de uiteenlopende vereisten van een artistiek doctoraat in de architectuur. Ze verkennen daarenboven de noodzaak van een aandachtige overgave aan de zintuigen als werkelijke bron van ‘wezenlijke’ of ‘mooie’ kennis. Gaandeweg worden in de dialogen 4 ruimtelijke typologieën uiteengezet: het veld, de tuin, het monument en het huis. Deze verschillende soorten ruimte worden verder verkend aan de hand van concrete voorbeelden uit de filosofie, architectuur, stedelijke ruimte, beeldende kunst, films, literatuur, muziek, geschiedenis... Deze ogenschijnlijk uiteenlopende en diverse invalshoeken vormen gedurende de dialogen constellaties die, zonder rechtstreeks over Roes' werk te spreken, als handleiding gezien kunnen worden voor het anders aanschouwen van het soort ruimtes waarin wij leven. Tegelijk geven ze een inkijk in hoe het artistieke werk van Remco tot stand komt. --- Het eerste hoofdstuk richt zich expliciet tot het probleem van de tekst en het spreken. De personages hebben in dit stadium nog nauwelijks een fysiek lichaam en proberen via hun woorden grip te krijgen op de abstracte ruimte van het onderzoeksveld waarin ze zich blijken te bevinden. In toenemende mate worden pogingen ondernomen om de ruimtelijkheid van het onderzoek in de taal van het gesprek op te nemen. Hierbij oscilleren de sprekers tussen de cartografie – als leverancier van modellen voor de onderzoeksruimte en als instrument ter bepaling van een toekomstige koers – en de uniciteit van de ruimtelijke ervaring via hun aanwezigheid op één specifieke plaats. Rond die twee polen vormt zich stap voor stap een beeld van de plek – het soort ruimte waar de personages zich bevinden. Het hoofdstuk eindigt met de conclusie dat de verhouding tussen deze abstracte ruimtelijkheid en het artistieke werk van ‘Remco Roes’ nader verkend en besproken dient te worden. Aan deze vraag wordt in het tweede hoofdstuk gehoor gegeven in de vorm van een metaforische wandeling doorheen een aantal eigen werken. Op basis hiervan komen een tweetal ruimtelijke typologieën aan het licht: VELD en CONSTELLATIE. Het VELD vertegenwoordigt de manier waarop ik de ruimte rondom mij beschouw en in het bijzonder het soort ruimte dat ik ervaar tijdens het maken van een werk. CONSTELLATIE beschrijft de ordening en compressie die het artistiek resultaat poogt te realiseren vanuit dit VELD. Tijdens het gesprek wordt echter ook een bredere (maatschappelijke en ruimtelijke) relevantie van deze typologieën verkend. Dit gebeurt door te spreken over kunstwerken van anderen. Juist die benadering – op enige afstand van de eigen artistieke resultaten – ontsluit een andere manier van kijken naar – maar vooral interageren met – de alledaagse ruimte(s) rondom ons. Gedurende het gesprek groeit ook het besef dat de waarde van een ruimtelijke constellatie slechts voor een deel besloten ligt in het fysieke eindresultaat. De mentale attitude en het handelen dat haar voortbrengt – het ontstaansproces – vertegenwoordigt evenzeer een wezenlijk deel van haar samenstelling. Vanuit dat inzicht volgen de drie typologieën van de laatste hoofdstukken, te weten: TUIN, MONUMENT en HUIS. Deze laten zich allen ook vertalen naar een vorm van handelen in de ruimte, namelijk: TUINIEREN, HERDENKEN en WONEN. Het derde hoofdstuk, TUIN of TUINIEREN, verkent het aandachtig cultiveren van een afgebakend stuk van de wereld. Enerzijds vindt het gesprek plaats op het niveau van het conceptuele onderscheid tussen cultuur en natuur, intentie en toeval, of kunstwerk en ‘werkelijkheid’. Anderzijds verkent het hoe concrete ruimtes en kunstwerken benaderd kunnen worden als tuinen; als systemen die slechts deels intentioneel vorm hebben gekregen en waarvoor langdurig gezorgd wordt. Het gesprek vraagt naar de waarde en noodzaak van dergelijke plekken, op persoonlijk en maatschappelijk niveau. Hoofdstuk vier, MONUMENT, verkent het fysieke object en de fysieke ruimte als drager van (culturele) betekenis. Tegelijk stelt het via het HERDENKEN de vraag naar wat de moeite waard is om herinnerd te worden. Wat is vanuit de alledaagsheid van het leven de moeite waard om (aan zichzelf of een ander) te laten zien? Deze kwetsbare vraag naar betekenis wordt geconfronteerd met de grootstedelijke ruimte van Berlijn, waar het grootste deel van de gesprekken plaatsvindt. Dit zorgt voor een spanningsveld tussen de persoonlijke monumentaliteit van het leven en een vorm van collectieve monumentaliteit die zich verhoudt tot de gedeelde ruimte van de stad. Het laatste hoofdstuk, HUIS of WONEN, vindt op een luchthaven plaats en fungeert als conclusie – als afsluiting – van het spreken. Wonen is een typologie die niet in de eerste plaats ruimtelijk verkend wordt, maar veeleer de vraag stelt naar het metaforische thuiskomen van de personages. Gelet op de nomadische aard van het project – dat overeenkomsten vertoont met de ontwortelde, hoogtechnologische en complexe tijd waarin wij leven – vraagt het de verschillende personages om de fundamenten van hun eigen HUIS bloot te leggen. Het vraagt hen naar de strategie waarmee zij – ondanks alles – op een wezenlijke manier op aarde aanwezig kunnen zijn.
URI: http://hdl.handle.net/1942/21520
Category: T1
Type: Theses and Dissertations
Appears in Collections: PhD theses
Research publications

Files in This Item:

Description SizeFormat
Text part of the PhD5.35 MBAdobe PDF

Items in DSpace are protected by copyright, with all rights reserved, unless otherwise indicated.