www.uhasselt.be
DSpace

Document Server@UHasselt >
Education >
Faculty of Business Economics >
Master theses >

Please use this identifier to cite or link to this item: http://hdl.handle.net/1942/1904

Title: Innovatie en export : een empirische analyse op basis van de Vlaamse Community Innovation Survey
Authors: REUMERS, Els
Advisors: TIRI, M.
Issue Date: 2007
Publisher: UHasselt
Abstract: Wij leven in een tijdperk van globalisering. Dit heeft onder andere belangrijke implicaties voor de bedrijfswereld. Een aantal nieuwe trends zijn zichtbaar zoals het streven naar schaalvergroting, het uitgroeien tot multinationals en het veroveren van nieuwe markten. In de huidige samenleving wordt de economische situatie van een land dan ook in toenemende mate bepaald door het succes van de nationale ondernemingen op buitenlandse markten. Dit is zeker het geval voor een typisch exportland als België. Het grootste gedeelte van de Belgische export wordt echter door Vlaanderen gerealiseerd. De Vlaamse bedrijven moeten dus zeker proberen hun sterke internationale positie te handhaven of zelfs trachten te verbeteren. Zij moeten bepalen welke opofferingen en bijkomende investeringen ze hiervoor bereid zijn te ondergaan. In het licht van de Lissabon-strategie wordt innovatie de laatste jaren steeds meer naar voor geschoven als het ultieme middel om onder andere economische groei, hoge winstmarges en een sterke concurrentiepositie te creëren. De doelstelling van deze eindverhandeling is onderzoeken of innovatie het exportgedrag van Vlaamse ondernemingen beïnvloedt en zo ja welke innovatie-indicatoren een invloed uitoefenen. Deze studie maakt gebruik van de derde en vierde Vlaamse Community Innovation Survey. De CIS-enquête wordt om de vier jaar uitgevoerd in alle Europese lidstaten en peilt naar het innovatiegedrag van ondernemingen. In deze eindverhandeling wordt zowel onderzoek verricht naar de impact van innovatie op het wel of niet exporteren van een bedrijf als op het aandeel van de omzet dat afkomstig is van exportverkopen. De centrale onderzoeksvraag luidt als volgt: “Wat is het effect van innovatie op het exportgedrag (exportwaarschijnlijkheid én exportintensiteit) van Vlaamse ondernemingen?” Er wordt gestart met een theoriegericht onderzoek. Allereerst blijkt de Belgische export een voorname positie te bekleden op zowel de Europese als op de wereldranglijst. België staat in de lijst van 27 Europese lidstaten op de tweede plaats met haar export per capita. Op wereldvlak behoort ons land eveneens tot de top tien. Daarenboven blijkt ongeveer 80% van de Belgische uitvoer afkomstig te zijn van enkel Vlaamse ondernemingen. De waarde van de uitvoer is in Vlaanderen zelfs zo hoog dat deze het bruto binnenlands product overstijgt. De Vlaamse economie is dus sterk afhankelijk van internationale handel. Vervolgens wordt dieper ingegaan op het begrip innovatie en wordt er een beeld geschetst van het Vlaamse innovatiegebeuren. Innovatie kan benaderd worden vanuit verschillende invalshoeken. Het is daarom niet eenvoudig een eenduidige definitie te geven van dit begrip. Het meten van innovatie gebeurt aan de hand van diverse indicatoren die zowel input- als outputgericht zijn. Eén van de belangrijkste inputfactoren is zonder twijfel onderzoek en ontwikkeling. De laatste jaren erkent men echter steeds meer het belang van andere, outputgerelateerde factoren. De media-aandacht omtrent innovatie is recentelijk toegenomen ten gevolge van de Lissabon-strategie en de Barcelona-doelstelling die tegen 2010 van Europa de meest competitieve en dynamische kenniseconomie ter wereld willen maken. Hiervoor zouden de uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling minstens 3% van het BBP moeten bedragen. Ten opzichte van andere Europese landen behalen België en Vlaanderen reeds vrij behoorlijke innovatieresultaten. Toch doen er zich ook een aantal verontrustende ontwikkelingen voor. Zo slaagt België er bijvoorbeeld niet of onvoldoende in om de aanwezige kennis om te zetten in commercieel interessante toepassingen. De klassieke O&Oenquête en de Community Innovation Survey vormen twee belangrijke studiebronnen in de context van innovatie. In deze eindverhandeling wordt enkel dieper ingegaan op deze laatste. Vanaf het vierde hoofdstuk wordt er aandacht besteed aan de relatie tussen innovatie en export. Aan de hand van enkele internationale wetenschappelijke publicaties betreffende dit onderzoeksdomein, wordt er een beeld gevormd van de mogelijke impact van innovatieinspanningen op het exportgedrag van ondernemingen. Het merendeel van deze studies concludeert dat innovatie wel degelijk een stimulans betekent voor de internationale gerichtheid van individuele ondernemingen. Iedere studie toont aan dat ten minste één ofwel enkele van de onderzochte innovatie-indicatoren een positief effect uitoefenen op de exportprestaties. De econometrische methoden en modellen die toegepast worden in deze publicaties worden toegelicht in het vijfde hoofdstuk. Voornamelijk het Probit en Tobit model blijken aangewezen te zijn voor dit onderzoek. Het praktijkonderzoek van deze eindverhandeling is gebaseerd op de datasets van de Vlaamse CIS-3 en CIS-4. CIS-3 is een enquête die peilt naar de innovatie-inspanningen van Vlaamse ondernemingen over de periode 1998-2000. De vragenlijst van CIS-4 heeft betrekking op de periode 2002-2004. Een eerste onderzoek wordt uitgevoerd aan de hand van beschrijvende statistieken. Vervolgens wordt bestudeerd of innovatie een effect uitoefent op de exportwaarschijnlijkheid op basis van het Probit model en op de exportintensiteit op basis van het Tobit model. De bevindingen gebaseerd op CIS-3 komen vrij goed overeen met de resultaten van de empirische analyse op basis van CIS-4. Globaal kan men stellen dat innoverende bedrijven sneller tot export overgaan en ook een hoger percentage van hun omzet realiseren op de internationale markt. Om tot deze conclusie te komen, werden verschillende innovatievariabelen bestudeerd. Het merendeel hiervan bleek een significant positief effect uit te oefenen op de exportprobabiliteit en -intensiteit van Vlaamse ondernemingen. Als eerste leveren product- en procesinnovaties een belangrijke bijdrage, net zoals het ontwikkelen van activiteiten met betrekking tot onderzoek en ontwikkeling. Het is niet noodzakelijk dat het bedrijf deze innovaties volledig onafhankelijk tot stand brengt. Productof procesinnovaties die het resultaat zijn van samenwerking met andere ondernemingen of instellingen en het uitbesteden van O&O aan bedrijven of onderzoeksgroepen stimuleren het exportgedrag eveneens. Het maken van samenwerkingsafspraken betreffende innovatie in het algemeen blijkt de exportprestaties ook significant te verhogen. Het verrichten van interne O&O-activiteiten op permanente basis levert betere exportprestaties op dan het uitvoeren van deze activiteiten op een occasionele wijze. Toch oefenen beiden een significant positieve invloed uit. Wat de productinnovaties betreft, is het vooral belangrijk producten te ontwikkelen die nieuw zijn voor de markt en niet enkel voor het betreffende bedrijf. Het onderzoek op basis van CIS-4 toont verder aan dat de positieve relatie tussen productinnovaties en export veroorzaakt wordt door de ontwikkeling van nieuwe goederen en niet door diensteninnovaties. Procesinnovaties hebben het meeste effect indien de productiemethoden verbeterd worden. Het aanvragen van octrooien en het bezitten van toegekende octrooien zijn verder innovatie-indicatoren die het exportgedrag van een bedrijf in gunstige richting beïnvloeden. Enkel met betrekking tot marketing- en organisatorische innovaties kunnen geen eenduidige conclusies geformuleerd worden. CIS-3 toont zelfs een negatieve relatie aan tussen organisatorische innovatie en export. Hier stelt zich echter het probleem dat beide innovaties niet voldoende gespecificeerd zijn in de vragenlijst wat tot misinterpretaties kan leiden bij de ondernemingen. Op basis van CIS-4 blijken de twee wel een significant positief effect uit te oefenen. CIS-4 bevat dan ook een uitsplitsing naar verschillende types van marketing- en organisatorische innovaties. Hierdoor is het voor bedrijven eenvoudiger vast te stellen of ze dergelijke innovaties verwezenlijken. Toch wordt er aanbevolen deze variabelen in een nieuw onderzoek te analyseren op basis van een andere vragenlijst of interviews. Op die manier kan het effect van marketing- en organisatorische innovaties nauwkeurig bestudeerd worden. Bijkomende aanbevelingen voor verder onderzoek staan geformuleerd onderaan de conclusies in het laatste hoofdstuk.
Notes: 3de jaar Handelsingenieur - major Accountancy en financiering
URI: http://hdl.handle.net/1942/1904
Category: T2
Type: Theses and Dissertations
Appears in Collections: Master theses

Files in This Item:

Description SizeFormat
N/A1.04 MBAdobe PDF

Items in DSpace are protected by copyright, with all rights reserved, unless otherwise indicated.