www.uhasselt.be
DSpace

Document Server@UHasselt >
Education >
Faculty of Business Economics >
Master theses >

Please use this identifier to cite or link to this item: http://hdl.handle.net/1942/1876

Title: Duurzame internationale ontwikkeling bij kleine en middelgrote ondernemingen in Limburg : enkele gevalstudies
Authors: KENIS, Goele
Advisors: HENS, I.
Issue Date: 2007
Publisher: UHasselt
Abstract: Ondernemingen moeten vandaag de dag rekening houden met verschillende aspecten in hun bedrijfsvoering zoals hun werknemers, milieu en hun aandeelhouders. Daarenboven zijn er ondernemingen die hun activiteiten uitgebreid hebben naar het buitenland. Dit kan bijvoorbeeld door import of export of eventueel zelfs door een productievestiging in het buitenland te hebben. Door deze uitbreidingen moeten deze ondernemingen ook rekening houden met de wetten en werknemers van het gastland 1. De centrale onderzoeksvraag die we ons in dit onderzoek stellen, luidt: Hoe ver staan Limburgse kleine en middelgrote ondernemingen op het vlak van duurzame ontwikkeling zowel in Limburg als in het buitenland? Dit eindwerk is opgebouwd uit twee delen, namelijk een literatuurstudie en een praktijkstudie. Om de literatuurstudie tot een goed einde te brengen, wordt informatie opgezocht op de zoekmachines van verschillende universiteiten. Daarenboven wordt ook het internet geraadpleegd om informatie te bekomen. De onderzoeksstrategie die bij de praktijkstudie gebruikt wordt, is de experience survey. Dit is een open bevraging van bevoorrechte getuigen. Managers van Limburgse KMO's worden door middel van diepte-interviews ondervraagd. Om in contact te komen met deze managers wordt VOKA Limburg ingeschakeld. Hoofdstuk 2 verduidelijkt het begrip duurzame ontwikkeling. Dit begrip is bekend geworden dankzij Gro Harlem Brundtland's rapport "Our Common Future". Duurzame ontwikkeling houdt in dat "aan de huidige behoeften wordt voldaan zonder de mogelijkheden van de toekomstige generaties te beknotten". (Develtere, 2003: 27). Er zijn twee belangrijke documenten over duurzaamheid ontwikkeld, namelijk de Verklaring van Rio en Agenda 21. Het eerste document 1 Gastland: land waar de onderneming een vestiging heeft of waar de onderneming importeert of exporteert somt 27 principes op die de basis vormen voor het juridische kader voor duurzame ontwikkeling. Agenda 21 is echter een geïntegreerde en globale benadering van alle aspecten van milieu en ontwikkeling. Verder komt in hoofdstuk 2 ook nog de Triple Bottom Line van John Elkington aan bod. Deze bestaat uit drie pijlers, namelijk people, planet en profit. De eerste pijler People staat voor aandacht voor zowel de eigen mensen als voor de mensen die betrokken of beïnvloed worden door de ondernemingsactiviteiten. De pijler Planet schenkt aandacht zowel aan de natuur als aan het milieu. De kwaliteit van de natuur en het milieu moeten gewaarborgd worden. Profit gaat als derde pijler over de economische aspecten van bedrijfsvoering. De opdracht voor de ondernemingen bij deze pijler is een haalbaar evenwicht te zoeken tussen winst en een goede behandeling van milieu en mensen. Als men hier een evenwicht kan bereiken, kan men de onderneming als duurzaam bestempelen. Hoofdstuk 3 geeft meer uitleg over kleine en middelgrote ondernemingen. Eerst en vooral moet er benadrukt worden dat KMO's aanzien worden als een belangrijke bron van ondernemingsvaardigheden, innovatie en werkgelegenheid (ondernemingen en industrie, 2006;5). De tewerkstelling in Limburg hinkt nog ver achterop de andere Vlaamse provincies, maar toch kende Limburg de grootste groei bij de structurele tewerkstelling bij KMO's in 2006. Er bestaan verschillende definities over KMO's, maar in dit eindwerk wordt de definitie van de Europese Commissie gehanteerd. Omdat het criterium personeelsbestand een probleem vormt, wordt dit criterium in dit eindwerk uitgebreid naar 300 werknemers. Het internationalisatieproces van KMO's is pas zinvol volgens Per V. Jenster en J. Carlos Jarillo (1994;10) als het proces toegevoegde waarde voor de KMO creëert die verder gaat dan extra verkopen voor de KMO. Daarom moet een KMO een competitief voordeel creëren door internationaal te gaan. Er zijn volgens hen ook vier redenen waarom dat KMO's overgaan tot internationalisering. Deze redenen zijn het volgen van klanten, het winnen van efficiëntie, technologie en knowhow en de concurrentie. Redenen voor duurzame ontwikkeling bij KMO's worden gegeven door het onderzoek "Développement durable: Quelle approche pour les PME?". Ten eerste kan duurzame ontwikkeling de globale doeltreffendheid van de KMO verbeteren. Vervolgens kan duurzame ontwikkeling leiden tot een groei in de innovatiekracht. Ten laatste wordt de KMO door duurzame ontwikkeling toe te passen opgewaardeerd en zal de KMO langer blijven voortbestaan. De Vlaamse regering helpt KMO's bij hun uitbreiding naar nieuwe markten. Ze hebben elf subsidiecategorieën voor KMO's ontwikkeld. Naast subsidies stelt de Vlaamse regering ook nog het Plato-project ter beschikking. Het Plato-project is een begeleiding- en ondersteuningsproject voor KMO-bedrijfsleiders, gebaseerd op het peterschapsprincipe (Plato, 2007). Het doel van het project is dat grote ondernemingen peter worden van kleine ondernemingen. De grote ondernemingen stellen hun kennis ter beschikking en helpen de kleinere bedrijven in alle aspecten van het bedrijfsmanagement. In het volgende hoofdstuk worden Azië en Centraal- en Oost-Europa besproken. Voor ieder gebied wordt de ligging en de handelsbalans besproken. In Azië steekt vooral de handel met China en Japen er bovenuit. De globale handelsbalans met Azië is negatief. Bulgarije, Polen en Slovenië domineren de handelsbalans voor Centraal- en Oost-Europa in 2006. De globale handelsbalans is, in tegenstelling tot deze met Azië, positief. Naast de handelsbalans wordt ook nog de reglementering van België en Europa in verband met deze gebieden besproken. Het Vlaamse Parlement heeft BLEU-verdragen goedgekeurd met enkele Aziatische landen. Europa heeft de "Europe and Asia: A strategic framework for enhanced partnerships" ontwikkeld. Daarnaast heeft Europa ook vijf programma's in het leven geroepen om de handel met Azië te bevorderen. Het Vlaamse buitenlandbeleid ten aanzien van Centraal- en Oost-Europa steunt op drie pijlers, namelijk het post-accessiemodel, het pre-accessiemodel en democratische en economische versterking, conflictpreventie en samenlevingsopbouw. Europa heeft de Lissabonstrategie ontwikkeld om van Europa de meest concurrerende en dynamische kenniseconomie van de wereld te maken. Het vijfde hoofdstuk behandelt de praktijkstudie. Er werden vijf KMO's gevonden die bereid waren om mee te werken aan dit eindwerk. Vier van de vijf hebben een (productie)vestiging in Centraal- en Oost-Europa. De vijfde KMO is een exportbedrijf dat vooral naar Azië uitvoert. De KMO's die ondervraagd werden zijn Hercorub, Echo, Teepak nv, Sodiko en HVA Koeling. Het laatste hoofdstuk vormt het belangrijkste hoofdstuk van dit eindwerk. Hierin worden conclusies getrokken aan de hand van de gevalstudies die in hoofdstuk vijf besproken zijn. Twee redenen om over te gaan naar nieuwe markten, die door de ondervraagde KMO's meegedeeld werden, komen overeen met wat er in hoofdstuk drie door Per V. Jenster en J. Carlos Jarillo gezegd werd. Deze redenen zijn namelijk het volgen van de klant en de concurrentie die ook nieuwe markten ging opzoeken. Nog andere redenen die in de interviews naar voren zijn gekomen, zijn een stilgevallen groei in België en het ontdekken van een gat in de markt. De voorwaarden die het gastland moet hebben, zijn afhankelijk van het soort activiteiten die de KMO doet. De KMO's hebben enkele cultuurverschillen ervaren, voornamelijk op het vlak van de taal. Duurzame ontwikkeling wordt bij de KMO's toegepast. Ze passen de geldende Belgische wetten toe, zowel op vlak van arbeid- als milieuwetgeving. Deze wetten zijn vaak veel strenger dan de wetten die in het buitenland gelden. De arbeiders en het milieu van het gastland worden door het toepassen van de Belgische wetten beter beschermd dan eigenlijk verplicht is. Daarenboven creëren de KMO's werkgelegenheid waardoor de regio waarin ze gevestigd zijn, positief beïnvloed wordt. Door de investering in een vestiging komt het gastland in contact met voor hen nieuwe technologieën. Dit kan dan op zijn beurt tot innovatie leiden waar het overgrote deel van de bevolking van zal profiteren. Naast deze inspanningen heeft een KMO ook hulp geboden bij overstromingen die het gastland getroffen hebben. Hieruit blijkt duidelijk dat de KMO's bezig zijn met duurzaamheid, maar het kan altijd nog beter. Geen enkele van de ondervraagde KMO's heeft duurzaamheid in zijn missie opgenomen. Doen ze dit wel, profileren de KMO's zich als een betrouwbare partner. Dit kan alleen maar voordelen opleveren in de toekomst. Voor KMO's die de stap gaan zetten naar het buitenland is het belangrijk dat ze eerst de markt leren kennen. Hierbij kunnen projecten zoals Plato of Globus een enorme hulp zijn. Op deze manier komt men in contact met ondernemingen die al actief zijn in het buitenland en kan men via deze ondernemingen informatie bekomen. KMO's moeten proberen om zoveel mogelijk vooraf te weten te komen zodat men niet plots voor onverwachte problemen komt te staan. Deze problemen kunnen uiteindelijk beslissen of de investering een succes wordt of niet. Er zijn twee tekortkomingen aan dit eindwerk. Het eerste, en meest belangrijke, is het aantal KMO's dat ondervraagd werd. Er moeten meer KMO's gevonden worden om een beter beeld te creëren van duurzaamheid bij Limburgse KMO's. Een tweede tekortkoming is dat de meeste van de ondervraagde KMO's een vestiging in hetzelfde land hadden, namelijk Tsjechië. Er moeten dus ook KMO's gezocht worden die in een ander land een vestiging hebben.
Notes: 3de jaar Handelsingenieur - major Internationaal zakenwezen
URI: http://hdl.handle.net/1942/1876
Category: T2
Type: Theses and Dissertations
Appears in Collections: Master theses

Files in This Item:

Description SizeFormat
N/A2.5 MBAdobe PDF

Items in DSpace are protected by copyright, with all rights reserved, unless otherwise indicated.