www.uhasselt.be
DSpace

Document Server@UHasselt >
Education >
Faculty of Business Economics >
Master theses >

Please use this identifier to cite or link to this item: http://hdl.handle.net/1942/1867

Title: Samenwerking tussen de externe auditor en het auditcomité
Authors: JANSSEN, Stephanie
Advisors: MERCKEN, R.
Issue Date: 2007
Publisher: UHasselt
Abstract: De laatste jaren werd er in de internationale en ook in de nationale pers veel ophef gemaakt over een aantal financiële schandalen. Deze hebben de vraag doen rijzen over de kwaliteit van boekhoudkundige informatie die wordt bekend gemaakt aan het publiek. Zowel de rol van de externe auditor als deze van het auditcomité kwam in opspraak. Dikwijls werd de vraag gesteld waarom deze partijen niet op de hoogte waren van wanpraktijken binnen de onderneming of, nog meer, waarom ze deze niet verhinderden. Het is niet alleen in het geval van wanbeleid dat het auditcomité op de voorgrond moet treden. Het auditcomité is immers een orgaan van goede governance voor het dagelijkse bestuur van een onderneming. De taak van het auditcomité is onder meer het bijstaan van de Raad van Bestuur in de controle op de financiële rapportering. De functie van het auditcomité is sterk gerelateerd aan de werkzaamheden van de externe auditor. Beiden zien ze toe op het afleveren van betrouwbare financiële informatie. Ook de interne controlebeheersing binnen de onderneming is iets wat beide partijen aanbelangt. Tevens houdt het auditcomité toezicht op de onafhankelijkheid van de externe auditor. Er dient een goede communicatie tussen de externe auditor en het auditcomité te zijn omtrent alle aspecten van de uitgevoerde controlewerkzaamheden. Beide partijen moeten samenwerken om de belangen van de onderneming te behartigen. In deze eindverhandeling wordt die samenwerking tussen de externe auditor en het auditcomité onderzocht. Er wordt nagegaan waar er communicatieproblemen zijn en waar de meningen in de Belgische praktijk overeenkomen en verschillen. Daarna wordt een vergelijking gemaakt met een onderzoek gevoerd in 2005 omtrent de communicatie tussen Nederlandse accountants en de auditcommissie. Hoofdstuk 2 geeft een overzicht van de wet- en regelgeving die er bestaat rond het auditcomité. De meest uitgebreide regelgeving is terug te vinden in de Verenigde Staten, waar het auditcomité meer aandacht krijgt dan in de Europese landen. In 2002 werd het auditcomité bij wet vastgelegd in de Sarbanes-Oxley Act, een wet die ontstond als reactie op de boekhoudschandalen. In Europa vond er in 2005 een modernisering van de Achtste Europese richtlijn plaats. Hierin wordt bepaald dat beursgenoteerde ondernemingen een auditcomité moeten oprichten. Toch biedt de richtlijn een grote vrijheid aan de individuele lidstaten: zij mogen namelijk afwijken van de verplichting tot oprichting van een auditcomité. Het auditcomité is in onze contreien dus nog niet bij wet verplicht. De regelgeving rond het auditcomité voor beursgenoteerde ondernemingen werd in België en Nederland wel opgenomen in de corporate governance codes. Deze codes zijn van het comply-or-explain type, wat betekent dat de regels niet verplicht gevolgd moeten worden wanneer hiervoor een rechtvaardiging geboden wordt. Hoofdstuk 3 vult aan met een overzicht van de karakteristieken van Belgische en Nederlandse auditcomités. Het blijkt dat de uitvaardiging van de corporate governance codes een grote drijfveer was voor ondernemingen om een auditcomité op te richten. In het vierde en vijfde hoofdstuk wordt er specifiek ingegaan op verschenen literatuur en regelgeving rond de samenwerking tussen de externe auditor en het auditcomité. Het belangrijkste document hierbij is de International Standard on Auditing (ISA) 260 die zowel de communicatieonderwerpen als het communicatieproces tussen de externe auditor en organen belast met governance in de onderneming weergeeft. In 2005 werd een voorlopige vernieuwde versie van deze standaard uitgevaardigd. Deze vernieuwde versie is veel gedetailleerder dan de vorige. De definitieve versie van ISA 260 is op het moment van schrijven nog in de maak, maar zal in de loop van 2007 verschijnen. Het blijkt echter dat de standaard nog niet voldoende gekend is door auditcomités in Europese landen, hoewel de hernieuwde Achtste Europese richtlijn de naleving van alle ISA’s verplicht. Mogelijk is dit te verklaren doordat de ISA’s zich enkel richten op de externe auditor en niet op aanverwante partijen. Hoofdstuk 6 beschrijft het eigenlijke onderzoek van deze eindverhandeling. Er wordt een bevraging van achttien bevoorrechte getuigen uitgevoerd. Onder hen bevinden zich zes bedrijfsrevisoren die allen ondernemingen met auditcomités onder hun klanten hebben en twaalf leden van auditcomités van Belgische ondernemingen. De meningen en opvattingen van de respondenten worden bevraagd aan de hand van interviews bestaande uit acht categorieën van vragen. Om zoveel mogelijk aspecten van de samenwerking tussen de bedrijfsrevisor en het auditcomité te benaderen wordt er achtereenvolgens gevraagd naar samenstelling van het auditcomité en algemene karakteristieken van de communicatie, besprekingen voor aanvang van de audit, controlebevindingen, risicobeheersing, interne controle, onafhankelijkheid van de bedrijfsrevisor en het auditcomité, niet-auditdiensten en voordelen en problemen van een auditcomité. Vervolgens worden de antwoorden van de respondenten vergeleken met de bepalingen in het corporate governance charter van de onderneming omtrent het auditcomité om eventuele afwijkingen te ontdekken. Ook wordt er nagegaan of er verschillen bestaan tussen het charter en de code Lippens en of er afwijkingen zijn van ISA 260. Uit dit empirisch onderzoek blijkt dat het management van de onderneming nog steeds aanzien wordt als de uiteindelijke auditklant, en niet het auditcomité zoals wel de bedoeling is. Er is een gebrek aan communicatie omtrent verwachtingen en verantwoordelijkheden tussen de bedrijfsrevisor en het auditcomité. Ook bedrijfsrisico’s en materialiteit komen niet vaak genoeg aan bod. Nochtans worden deze onderwerpen in ISA 260 uitvoerig besproken. Bedrijfsrevisoren zijn niet altijd tevreden over de financiële kennis van de leden van het auditcomité. Het zou beter zijn dit aspect in de code Lippens op te nemen. Er wordt namelijk niet bepaald wat bedoeld wordt met “voldoende relevante deskundigheid over financiële aangelegenheden” voor de leden van een auditcomité. Zowel leden van Belgische auditcomités als bedrijfsrevisoren vinden dat er te veel aandacht wordt besteed aan de onafhankelijkheid van de bedrijfsrevisor. Volgens een aantal respondenten kunnen regels er toch niet voor zorgen dat onafhankelijkheid bewezen wordt, er is meer vertrouwen in de bedrijfsrevisor nodig. Dit is ook te merken aan het feit dat er nogal los wordt omgesprongen met het beleid opgesteld door het auditcomité voor niet-auditdiensten. Sommige leden van auditcomités schijnen niets van zo’n beleid af te weten, terwijl het corporate governance charter toch stelt dat dit beleid aanwezig is. De onafhankelijkheid van de leden van Belgische auditcomités wordt door een aantal bedrijfsrevisoren in vraag gesteld. Zij zijn van mening dat het auditcomité vaak de opvattingen van het management verkondigt. De invloed van familiale aandeelhouders in de Belgische ondernemingen kan hiervoor zeker een verklaring bieden. Hun zeg dringt door tot in de comités van de Raad van Bestuur. Een opmerkelijke bevinding is dat er bij zeer weinig auditcomités private vergaderingen plaatsvinden zonder aanwezigheid van het management. De integriteit van het management wordt dan ook zelden bekritiseerd. Het zou nuttig zijn een expliciete frequentie voor private vergaderingen in de code Lippens op te nemen. In hoofdstuk 7 wordt er een effectiviteitscore toegekend aan de Belgische auditcomités waarvan er leden bevraagd werden. Dit wordt gedaan op basis van deelscores gebaseerd op de antwoorden van de respondenten. De auditcomités worden ingedeeld in een groep goede en minder goede auditcomités op basis van de scores die ze behalen. Voor de deelscores die de onafhankelijkheid van het auditcomité, de niet-auditdiensten en de afwijkingen van ISA 260 bepalen zijn er significante verschillen tussen de twee groepen. Met de techniek van discriminantanalyse wordt een model opgesteld om andere auditcomités die niet opgenomen werden in de steekproef te classificeren als zijnde goed of minder goed. Tevens geeft deze techniek een overzicht van de deelscores die belangrijk zijn om te discrimineren tussen de twee groepen. De deelscores betreffende pre-audit, onafhankelijkheid van het auditcomité en afwijkingen tussen het corporate governance charter en de code Lippens worden opgenomen in de discriminantfunctie. Deze functie slaagt erin 83,3% van de onderzoekseenheden juist te classificeren. Als laatste worden de bevindingen van deze empirische studie in de Belgische praktijk vergeleken met bevindingen uit Nederlands onderzoek. Er blijken veel overeenkomsten te zijn tussen de samenwerking van externe auditor en auditcomité in België en Nederland. Toch zijn er twee opmerkelijke verschillen. De hoeveelheid informatie die besproken wordt is groter in Nederland dan in België. Nederlandse leden van auditcomités blijken ook makkelijker de integriteit van het management aan te kaarten dan Belgische leden.
Notes: 3de jaar Handelsingenieur - major Accountancy en financiering
URI: http://hdl.handle.net/1942/1867
Category: T2
Type: Theses and Dissertations
Appears in Collections: Master theses

Files in This Item:

Description SizeFormat
N/A2 MBAdobe PDF

Items in DSpace are protected by copyright, with all rights reserved, unless otherwise indicated.