www.uhasselt.be
DSpace

Document Server@UHasselt >
Education >
Faculty of Business Economics >
Master theses >

Please use this identifier to cite or link to this item: http://hdl.handle.net/1942/1851

Title: De Vlaamse drinkwatervoorziening, private of publieke instantie. Met een gevalstudie over privatisering
Authors: VAN HAUTE, Axel
Advisors: LEFEBVRE, E.
Issue Date: 2007
Publisher: UHasselt
Abstract: De drinkwatervoorziening is een moderne verworvenheid. De realisatie van de drinkwatervoorziening is in Vlaanderen pas begin jaren 1980 gerealiseerd. Het betreft een evolutie die zich niet overal in Vlaanderen aan het zelfde ritme voltrokken heeft en enkel door toedoen van de overheid gestaag bereikt kon worden. Het is een misvatting dat de watervoorziening een gemeentelijk monopolie zou zijn. De zorg voor drinkwater gebeurt minstens evenzeer door de Gewesten. De Gewesten zijn ingevolge de staatshervormingen van 1980 en 2001 ten andere formeel bevoegd voor het waterbeleid en het toezicht over intercommunales. De federalisering van de watervoorziening blijft evenwel onvolledig. Tariefverhogingen vereisen de goedkeuring van de federale overheid en publieke instanties overlappen elkaar op verschillende niveaus. De eerste waterbeleidsnota van de Vlaamse regering (2005), die vijfentwintig jaar op zich heeft laten wachten, kan hieraan niet verhelpen. Integendeel, door de creatie van allerlei nieuwe tussenniveaus, lijkt de structuur van de Vlaamse watervoorziening complexer dan ooit. De productie en distributie van drinkwater verloopt steeds meer geconcentreerd. De sector wordt gedomineerd door een viertal bedrijven. Voor publieke organisaties doen zij het lang niet slecht. In financiële termen zijn hun prestaties de laatste tien jaar danig verbeterd. Niettemin is het zeer de vraag of de sector de belangrijke uitdagingen waar zij voor staat, op zichzelf zal aankunnen. De Vlaamse drinkwatertarieven worden in vergelijking met de rest van Europa almaar duurder. Het Vlaamse drinkwater is ongeveer dubbel zo duur als vijftien jaar geleden. Bovendien bestaat er in Vlaanderen al jaren een behoorlijke tariefverscheidenheid. Een knelpunt dat maar niet opgelost lijkt te raken. De hoogte van de Vlaamse drinkwatertarieven kan deels verklaard worden door het relatieve gebrek inzake zoetwatervoorraden. Ook de ongunstige Vlaamse Ruimtelijke Ordening, de gebrekkige structurele organisatie van de drinkwatervoorziening en het gestaag afnemen van de Vlaamse subsidiëring inzake watervoorziening, doen de tarieven evenwel onnodig de hoogte ingaan. Wanneer enige politieke wil in deze uitblijft, valt te verwachten dat de tarieven onverminderd zullen blijven stijgen. De uitdagingen inzake drinkwatervoorziening zullen namelijk handen vol geld gaan kosten. Nog meer verontrustend zijn de gaten in het sociale beleid van de Vlaamse regering inzake drinkwater. Het gratis-beleid van de Vlaamse overheid is geenszins waterdicht en verkwist enorme sommen aan sociale middelen. Bovendien zou het op termijn wel eens om een louter boekhoudkundige operatie kunnen gaan. Ook het zogeheten principe van de vervuiler betaalt, lijkt zijn doel, met name het terugdringen van de watervervuiling, volledig voorbij te schieten. De maatregel richt zich vooral op makkelijke doelwitten, zoals gezinnen en KMO’s. Grote jongens, die meer dan wie ook verantwoordelijk zijn voor de immense vervuiling van de Vlaamse waterlopen, blijven gewoon vrijuit gaan. Zelfs de promotie van regenwateropvang, wat vanuit ecologisch opzicht broodnodig is, lijkt ondoordacht te worden doorgevoerd. Men houdt in deze nauwelijks rekening met de individuele mogelijkheden en de sociale dualiteit die de promotie van regenwateropvang zou kunnen veroorzaken. In tegenstelling tot wat de Belgische beroepsfederatie voor de watersector blijft beweren is het Vlaamse drinkwater allesbehalve van onberispelijke kwaliteit. Vooral de vervuiling van het water door nitraten en pesticiden blijft als gevolg van een lakse aanpak van de landbouw een ernstig probleem. Ondanks het feit dat de fysisch-chemische toestand van het Vlaamse water de laatste vijftien jaar wat verbeterd is, zouden onze waterlopen een zogeheten toestand van eutrofiëring bereikt hebben. De Vlaamse wateren veranderen hierdoor stilaan in een soort erwtensoep die op termijn alle leven onmogelijk zal maken. Volgens studies is de algemene toestand van het milieu in Vlaanderen ronduit abominabel. Niettegenstaande onze hoge welvaartspositie, slagen wij er in om op vlak van milieu slechter te presteren dan tal van ontwikkelingslanden. Om de doelstellingen inzake de Europese Kaderrichtlijn Water (2000) te realiseren, zal Vlaanderen tegen 2015 grondig heringericht moeten worden. Intussen neemt het consumentenvertrouwen in leidingwater almaar meer af. Haast nergens ter wereld wordt meer flessenwater geconsumeerd dan in Vlaanderen. Een beter beheer van de waterketen, of het fysieke systeem rond water, zou het gros van de problemen inzake waterkwaliteit op termijn kunnen oplossen. Anderzijds kan het slecht functioneren van één van de deelsectoren van de waterketen, de werking van de gehele waterketen hypothekeren. De recente waterbeleidsnota riep tal van instrumenten in het leven, die een beter beheer van de waterketen mogelijk moeten kunnen maken. De herwaardering van regenwater staat hierin centraal. Het lijkt er evenwel op dat deze instrumenten nog niet naar behoren werken. Door een slechte communicatie van het beleid en onvoldoende gerichte prikkels, blijft een mentaliteitsverandering voorlopig ver af. De tijd dringt echter. Op enkele Zuid-Europese lidstaten na, is de waterstress in Europa nergens groter dan in Vlaanderen. Terwijl Wallonië van water vervuld lijkt, is Vlaanderen langzaam maar zeker aan het verdrogen. Aan de andere kant van de keten blijft ook de afwaterzuivering een hekeldossier. De toestand van de afvalwaterzuivering is zo ondermaats, dat België niet eens in de cijfers van het Europese Milieu Agentschap werd opgenomen. De investeringen die de saneringsinfrastructuur de komende jaren zullen vereisen, worden vele malen hoger geschat dan de sommen die hier totnogtoe voor werden vrijgemaakt. Daarenboven is anno 2006 niet eens de helft van de Belgische bevolking aangesloten op het rioleringsnetwerk. Eenvoudige, goedkope en duurzame oplossingen blijven ondertussen in de schuif liggen. Water is als hoeksteen van het leven van fundamenteel belang voor mens en samenleving. Het Comité voor Economische, Sociale en Culturele rechten van de Verenigde Naties stelt dat de toegang tot drinkwater vereist is om eender welk ander recht te kunnen realiseren. Het mensenrecht inzake de toegang tot drinkwater en sanitaire voorzieningen werd evenwel pas in 1977 vastgelegd (Mar del Plata). De rechtszekerheid inzake de toegang tot drinkwater, is ook vandaag, dertig jaar na Mar del Plata, nog steeds niet gerealiseerd. Volgens het laatste World Water Development Report van de Verenigde Naties (2006), heeft een vijfde van de wereldbevolking thans geen toegang tot veilig drinkwater. Veertig procent van de wereldbevolking kan niet over voldoende sanitaire voorzieningen beschikken. Dit terwijl er in principe zoetwater genoeg is voor twintig miljard mensen. Een en ander neemt niet weg dat er zich de laatste jaren binnen internationale context een merkwaardige kentering aan het afspelen is. Niettegenstaande de dramatische toestand, lijkt men drinkwater te willen onderwerpen aan de wetten van de hedendaagse pseudo-economie. In plaats van de wereldwijd beschikbare zoetwatervoorraden op solidaire wijze te verdelen, begint het er steeds meer op te lijken dat water het blauwe goud van morgen zal worden. Watervoorzieningen moeten volgen de Europese Unie op termijn minstens kostendekkend worden. Investeren in de gemeenschap is niet langer nodig. Het Britse geval van de privatisering van de spoorwegen toont onverbloemd aan hoe moeilijk het is om private en publieke belangen met elkaar te laten rijmen. Niettegenstaande het feit dat British Rail vóór de privatisering ook niet fantastisch draaide, heeft de privatisering van British Rail zeker niet gebracht wat verhoopt werd. Integendeel, de privatisering van British Rail kan, evenzeer als alle andere Britse privatiseringsoperaties, een fiasco genoemd worden. Groot-Brittannië kende in de periode na de privatiseringen, volgens het OESO, een recessie die vergelijkbaar was met die van de periode rond de Tweede Wereldoorlog. Voorstanders van liberalisering blijven de Britse privatisering van British Rail tegen beter weten in verdedigen. Het lijkt er echter op dat de Britse spoorwegen eenvoudigweg over-gecommercialiseeerd werden, zonder ook maar in het minst rekening te houden met de mogelijke gevolgen. Het Britse privatiseringsgeval van de spoorwegen bewijst dat universele voorzieningen niet zonder toedoen van de overheid beheerd kunnen worden. Puur financieel-economisch getinte prikkels zullen eerder de ondergang dan de redding van universele voorzieningen betekenen. Zorg voor universele voorzieningen als mobiliteit en drinkwater zijn een taak van, voor en door de gemeenschap. Enkel wanneer wij met zijn allen bereid zijn om in de gemeenschap te investeren en te bouwen aan een gezonde samenleving, zal de verzorgingsstaat kunnen overleven.
Notes: 2de licentie TEW - major Beleidsmanagement
URI: http://hdl.handle.net/1942/1851
Category: T2
Type: Theses and Dissertations
Appears in Collections: Master theses

Files in This Item:

Description SizeFormat
N/A1.35 MBAdobe PDF

Items in DSpace are protected by copyright, with all rights reserved, unless otherwise indicated.