www.uhasselt.be
DSpace

Document Server@UHasselt >
Research >
Research publications >

Please use this identifier to cite or link to this item: http://hdl.handle.net/1942/16350

Title: Getuigen Onderweg: Effectevaluatie van een verkeerseducatief programma in de 3e graad secundair onderwijs
Authors: CUENEN, Ariane
BRIJS, Kris
BRIJS, Tom
VAN VLIERDEN, Karin
DANIELS, Stijn
Issue Date: 2013
Publisher: Steunpunt Verkeersveiligheid
Series/Report: RA-2013-003
Abstract: Getuigen onderweg is een Vlaams sensibiliserend schoolprogramma dat jongeren van de 3e graad secundair onderwijs bewust wilt maken van de gevaren in het verkeer en ervoor wil zorgen dat zij zich veiliger gaan gedragen. In dit programma vertellen (nabestaanden van) slachtoffers van een verkeersongeval over hun leven voor het ongeval, het ongeval zelf en hun leven na het ongeval. Ondanks dat deze vorm van verkeerseducatie waarbij slachtoffers van verkeersongevallen een getuigenis brengen veel gebruikt is, is weinig geweten over het effect van deze strategie. Wat opvalt, is dat men bij deze strategie vaak gebruik maakt van de principes van angstaanjagende communicatie (fear appeals) waarbij een belangrijke rol is weggelegd voor de meestal expliciet getoonde letsels vlak na het ongeval zonder echter aandacht te schenken aan de (niet altijd duidelijk zichtbare) langere termijngevolgen (sociaal leven, revalidatie, financiële situatie, etc.). Getuigen onderweg wil zich hiervan onderscheiden door juist wel aandacht te besteden aan de breder gesitueerde en langere termijngevolgen, zodat men gestimuleerd wordt om na te denken over zijn/haar gedrag in het verkeer. Aangezien het niet haalbaar is om het effect van dit programma op verkeersgedrag direct te meten, is het effect van het programma op gedrag in dit onderzoek indirect gemeten door het gebruik van zelfrapportage technieken. Meer in het bijzonder hebben deelnemers aan de evaluatiestudie hun mening gegeven over een reeks stellingen die betrekking hebben op zowel hun eigen gedrag als enkele belangrijke determinanten van dat gedrag. Deze determinanten zijn ontleend aan de vakliteratuur inzake gezondheidspreventie en verkeerspsychologie. Meer in het bijzonder hebben we gebruik gemaakt van een reeds uitvoerig gevalideerd gedragsverklarend model, namelijk de Theorie van Gepland Gedrag (Theory of Planned Behavior, TPB). Volgens deze theorie wordt gedrag voornamelijk beïnvloed door intenties, attitudes, sociale normen en zelf-effectiviteit. Om informatie over deze determinanten te verzamelen werd gebruik gemaakt van een vragenlijst, bestaande uit achtergrondvariabelen (vb. geslacht), doelvariabelen (vb. TPB constructen) en receptievariabelen (vb. cognitieve/affectieve receptie). In deze studie werden leerlingen willekeurig toegewezen aan een controlegroep of een experimentele groep. Beide groepen kregen twee maal een vragenlijst aangeboden, een eerste maal (net voor of net na het programma) via een papieren versie, een tweede maal (2 maanden na het programma) via een online versie. Onderzoek op basis van zelfrapportage heeft als voornaamste voordeel dat men informatie kan bekomen over niet direct observeerbare sociaalpsychologische factoren waarvan we weten dat ze belangrijk zijn met het oog op gedragsbeïnvloeding. Dergelijk onderzoek is echter geen evidentie en dient voldoende methodologisch omkaderd te zijn. Immers, als mensen hun eigen overtuigingen en gedragingen dienen te beoordelen, dan kan het zijn dat men zich (on)bewust laat leiden door zaken als sociale antwoordwenselijkheid (i.e., het gevoel dat men zichzelf best zo goed mogelijk voordoet naar anderen toe). Bovendien is het zo dat wanneer men meerdere malen dezelfde vragenlijst moet invullen (zoals dat in deze studie het geval was), men bij de antwoorden op een 2e meting mogelijk onbewust beïnvloed wordt door de antwoorden die men op een 1e meting reeds gaf. Dit laatste staat beter bekend als een ‘vragenlijst effect’. Met het oog op eventueel gevonden programma-effecten is het belangrijk om na te gaan of deze niet verward worden met zulke ‘vragenlijsteffecten’. Deze studie heeft gecontroleerd voor zowel sociale antwoordwenselijkheid als een vragenlijsteffect. Wat het laatste betreft, tonen analyses aan dat er in deze studie over het algemeen geen indicatie is voor een vragenlijsteffect. Uit de resultaten blijkt dat alvorens het programma te hebben bijgewoond, jongeren reeds een positieve instelling t.o.v. verkeersveiligheid lijken te hebben, m.u.v. bepaalde aspecten zoals het gebruik van de fietshelm en het fluorescerend vestje. Ook blijken vrouwen een positievere instelling te hebben dan mannen en blijken leerlingen uit ASO en TSO een positievere instelling te hebben dan leerlingen uit BSO. Onmiddellijk na participatie aan het programma blijkt het programma een klein effect te hebben bij leerlingen uit ASO en BSO op alle TPB constructen. Twee maanden na participatie aan het programma blijkt het programma een groot effect te hebben bij mannelijke leerlingen, op alle TPB constructen, m.u.v. zelf-effectiviteit. Interessant hierbij is dat leerlingen van BSO en mannelijke leerlingen het laagste instapniveau hadden, waardoor er juist bij hen meer ruimte is voor verbetering. Daarnaast hadden leerlingen uit ASO de hoogste cognitieve receptie en leerlingen uit BSO de hoogste affectieve receptie. De resultaten geven aan dat zowel een cognitieve als affectieve receptie het effect van het programma vergroot. Op basis van deze resultaten kunnen we enkele aanbevelingen doen wat betreft doelgroepkeuze en uitvoering. Kijkend naar de doelgroep, kunnen we aanbevelen om het programma verder te blijven aanbieden aan jongeren van de 3e graad secundair onderwijs. Het programma heeft voor leerlingen uit ASO en BSO en mannelijke leerlingen een verbeterende functie, terwijl het eerder een herbevestigende functie heeft bij leerlingen uit TSO en vrouwelijke leerlingen. Daarnaast zou men, vanwege het hoge instapniveau van deze jongeren, ook kunnen overwegen om het programma aan te bieden aan een groep met een lager instapniveau, vb. als alternatieve straf voor bepaalde groepen van verkeersovertreders. Kijkend naar de uitvoering, kunnen we aanbevelen om vooral aandacht te besteden aan risicofaciliterende en preventieremmende omstandigheden. Daarnaast is het aanbevolen om leerlingen strategieën aan te reiken waarmee ze hun intenties concreet kunnen omzetten in gedrag. In essentie: het programma Getuigen onderweg slaagt erin om jongeren zowel cognitief als affectief te raken. Ze vinden het dus met andere woorden een nuttige en interessante ervaring die hen bovendien ook gevoelsmatig wel wat doet. Deze inleving draagt er toe bij dat deelnemende jongeren eens echt even bewust nadenken over hun gedrag en verantwoordelijkheid in het verkeer. Puur statistisch gezien toont de evaluatiestudie aan dat het programma erin slaagt om voor het merendeel van de vooropgestelde doelvariabelen een significante verbetering te realiseren. Wat de interpretatie van deze statistische resultaten betreft, dient men echter voldoende genuanceerd te zijn. Zo dient men op te merken dat de gevonden programma effecten duidelijk afhankelijk zijn van het achtergrondprofiel van de deelnemende leerlingen en dat ze niet altijd bestendig zijn over de tijd heen. Bovendien is het zo dat als we enkel kijken naar de omvang, we met eerder kleine programma effecten te maken hebben. Vooral met het oog op zelf-effectiviteit en de vaardigheid om weerstand te bieden aan de ongunstige invloed uitgaande van risicobevorderende of preventieonderdrukkende omstandigheden, is het aangewezen om verder bij te sturen. Het is immers een algemeen aanvaard idee binnen de vakliteratuur over risicocommunicatie dat als men mensen werkelijk wil bewegen tot (bestendigd) veiliger gedrag, men niet enkel de ernst van en de kans op risico’s onder de aandacht moet brengen, maar tevens (en vooral zelfs) de effectiviteit van mogelijke preventieve maatregelen en het zelfvertrouwen dat men als individu wel degelijk beschikt over de vaardigheden die nodig zijn om deze preventieve maatregelen succesvol te implementeren. Uiteraard zijn bovenstaande bevindingen afhankelijk van de robuustheid van het gebruikte onderzoeksdesign en de kwaliteit van het gehanteerde meetinstrument. Wat het meetinstrument betreft, is het aangewezen om bijkomende analyses uit te voeren met het oog op validatie. Denken we daarbij aan exploratorische factoranalyse om de constructvaliditeit verder in kaart te brengen en aan regressieanalyse om de predictieve validiteit te bepalen. Daarnaast is aanvullend onderzoek aangewezen om te bepalen of de effectiviteit van het programma mogelijk ook afhankelijk is van het type getuige. Zo zijn er namelijk enerzijds getuigenissen gebracht door een verkeersslachtoffer en anderzijds getuigenissen gebracht door een nabestaande van een verkeersslachtoffer. Dat beide invullingen mogelijk andere kenmerken met zich meebrengen (nabestaanden zullen ongetwijfeld andere elementen wat meer onder de aandacht brengen dan eigenlijke slachtoffers en vice versa) is uiterst waarschijnlijk. In deze studie werd overwegend gekeken naar getuigenissen gebracht door slachtoffers en is er met voornoemd onderscheid (i.e., slachtoffer vs. nabestaande van slachtoffer) geen rekening gehouden.
URI: http://hdl.handle.net/1942/16350
Link to publication: http://www.steunpuntmowverkeersveiligheid.be/nl/node/529?auteur=&keywords=&rapportnummer=&publicatie=&jaar=&taal=nl&type=rapport&search=1
Category: R2
Type: Research Report
Appears in Collections: Research publications

Files in This Item:

Description SizeFormat
N/A1.01 MBAdobe PDF

Items in DSpace are protected by copyright, with all rights reserved, unless otherwise indicated.