www.uhasselt.be
DSpace

Document Server@UHasselt >
Education >
Faculty of Business Economics >
Master theses >

Please use this identifier to cite or link to this item: http://hdl.handle.net/1942/1255

Title: Het Vlaamse mestbeleid : een evaluatie van de huidige toestand en beleidsalternatieven in het kader van een verhandelbaar rechtensysteem
Authors: NEUTS, Bart
Issue Date: 2006
Abstract: In het verleden is de intensivering van de landbouw noodzakelijk gebleken om de toenemende bevolking te onderhouden met een steeds kleiner wordend landbouwareaal. Lange tijd werd de productiviteit van de Vlaamse akkerbouw als maatstaf gehanteerd door andere naties. De laatste decennia zijn echter de milieuproblemen, die mede het gevolg zijn van de hoge bemestingsgraad en de intensieve veeteelt, in toenemende mate aan het licht gekomen. Als belangrijkste milieuproblemen worden achtereenvolgens de stikstofaanreiking in grond- en oppervlaktewater, de verzuring, de fosfaatverzadiging en fosfaatdoorslag en het broeikaseffect besproken. In deze thesis zal er voornamelijk aandacht besteed worden aan de stikstofaanreiking aangezien hiervoor een adequate oplossing moet gevonden worden om verdere veroordelingen van het Europese Hof van Justitie te voorkomen. De Europese nitraatrichtlijn bepaalt immers een maximaal nitraatgehalte van vijftig milligram nitraat per liter. Deze norm wordt tot op heden niet gehaald in Vlaanderen waardoor aanpassingen aan de huidige wetgeving nodig zijn. De centrale onderzoeksvraag in dit eindwerk luidt dan ook: ‘Wat zijn de tekortkomingen van het huidige mestbeleid en kan een alternatief in het kader van een verhandelbaar rechtensysteem een oplossing bieden?’ Vervolgens wordt de evolutie van de wetgeving inzake de Vlaamse mestproblematiek geanalyseerd. Dit verhaal begint onder impuls van de Raad van Europa en mondt uit in het eerste mestdecreet van 23 januari 1991. Na dit oorspronkelijke decreet volgen er nog twee wijzigingen: MAP 1 in 1995 en MAP 2bis in 2000. Deze wijzigingen waren telkens noodzakelijk omdat de gewenste effecten na evaluatie niet behaald bleken. Hoewel de verschillende mestdecreten belangrijke resultaten wisten te realiseren, bleken deze onvoldoende. Bovendien is er een ingewikkeld kluwen van heffingen, transportregelingen, bemestingsnormen en mestverwerkingplicht ontstaan waardoor de - 4 - huidige wetgeving onoverzichtelijk is en een remmende invloed heeft op de sectorontwikkeling. Jarenlang is er immers gebruik gemaakt van een ‘stand-still’ grens waardoor uitbreiding van landbouwbedrijven praktisch onmogelijk werd. Om de gevolgen van de drie mestdecreten te analyseren, wordt de evolutie van diverse milieuparameters nagegaan gedurende deze vijftien jaren. Hieruit blijkt dat het overschot op de bodembalans van de landbouw in de periode tussen 1990 en 2004 met 46 procent is gedaald voor stikstof en met 71 procent voor fosfaat. Toch blijft de afstand tot de doelwaarde groot. Indien de toestand van fosfaatconcentratie in de landbouwbodems wordt geëvalueerd, blijkt dat er een onderscheid moet gemaakt worden tussen akkerbouwpercelen en weiland. Voor akkerland is er een continue stijging merkbaar van het aantal percelen met een fosfaatgehalte dat hoger ligt dan de streefzone. Het percentage weiland waar een overschrijding van de richtwaarde werd vastgesteld, kende een minder uitgesproken stijging. Een analyse van de nitraattoestand in het oppervlaktewater is slechts mogelijk vanaf 1999 sinds de start van het MAP-meetnet. Gedurende de periode 1999-2003 valt een gunstige tendens op te tekenen die echter gekeerd lijkt te zijn vanaf 2003 waardoor er opnieuw meer dan veertig procent van de MAP-meetpunten minstens eenmaal de norm overschrijden. De nitraattoestand in het grondwater is al even problematisch te noemen aangezien er in 2005 eveneens een overschrijding werd vastgesteld bij veertig procent van de meetpunten. De grootste vooruitgang valt op te merken bij de uitstoot van broeikasgassen en de ammoniakemissie. Waar de landbouw nog goed was voor een uitstoot van 74.227 ton ammoniak in het jaar 1990, is deze emissie gedaald tot 41.461 ton in 2004. Uit de toestand van de diverse milieuparameters is duidelijk de nood gebleken aan een nieuw mestbeleid indien Vlaanderen wil voldoen aan de Europese vereisten. Deze vaststelling heeft Vlaams minister van Leefmilieu Peeters ertoe aangezet een begin te maken van een nieuw mestactieplan. De visienota die een beleidskader moet bieden - 5 - voor een nieuwe decreetwijziging bevat enkele waardevolle aanvullingen op de huidige wetgeving. De nadruk die gelegd wordt op de nitraatrichtlijn is noodzakelijk en wenselijk en de aandacht voor het gebruik van betere voedertechnieken en de stimulansen die hiervoor geboden worden onder de vorm van een lagere basisheffing kunnen ontegensprekelijk een positieve invloed hebben op het wegwerken van de huidige mestoverschotten. Bovendien blijven groeimogelijkheden verzekerd door het verhandelbaar maken van de nutriëntenhalte. Het beleid maakt echter opnieuw de fout een overdreven ingewikkeld systeem tot stand te brengen, waarbij er deels gekozen wordt voor marktgerichte beleidsinstrumenten die echter aangevuld worden met normen, plichten en afromingpercentages. In het zesde hoofdstuk wordt er getracht om een alternatief model op basis van een verhandelbaar rechtensysteem op te stellen waarbij, rekening houdend met de te behalen milieunorm voor de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater, kostenefficiëntie nagestreefd wordt. De uitwerking van dergelijk systeem resulteert in de invoering van een dubbel systeem van recyclage- en productierechten. De recyclagerechten omvatten de rechten om mest af te zetten op cultuurgrond en worden verdeeld volgens het systeem van ‘grandfathering’ op basis van de beschikbare depositieruimte. Productierechten bieden de bezitter ervan het recht om stikstof te produceren en worden initieel verdeeld op basis van de aanwezige veestapel vermenigvuldigd met de forfaitaire uitscheidingscijfers. De uitwerking van het concept toont inderdaad de grote financiële voordelen aan van een verhandelbaar rechtensysteem. Op basis van een steekproefanalyse, wordt een prijs van 4,9 euro voor een recyclagerecht bekomen. Bij deze prijs zullen er 1.185.817,17 recyclagerechten verhandeld worden. De prijs van een productierecht zal komen te liggen op 5,1 euro, waarbij 130 bedrijven een totaal van 7.705.641,69 productierechten vragen. Het aanbod bedraagt 7.898.580,99 eenheden en komt tot stand door 239 landbouwondernemingen. Door de invoering van een rechtensysteem - 6 - stijgt het totale arbeidsinkomen van de sector met 243.814.476,9 euro, of 761,33 procent. Het enige grote nadeel van dergelijk systeem blijkt de mogelijk grote concentratie te zijn waarbij vele kleinere landbouwondernemingen hun productierechten verkopen. Berekeningen tonen aan dat er in het nieuwe scenario 196 landbouwbedrijven de productie zullen stopzetten. Deze cijfers zijn echter in grote mate afhankelijk van de hoogte van de mestverwerkingprijs en de voorziene uitbreidingsmogelijkheid waardoor een sensitiviteitsanalyse nodig is om de eventuele wijziging in vraag- en aanbod, arbeidsinkomen en bedrijvenpopulatie aan te tonen. Hieruit kan geconcludeerd worden dat het hoogste sectorinkomen, namelijk 309.453.276,25 euro opgetekend wordt bij een verhoging van de uitbreidingsmogelijkheid tot 104.000 kilogram stikstof en een verlaging van de mestverwerkingprijs tot 3,44 euro. Het kleinste arbeidsinkomen wordt gegenereerd bij een verhoging van de mestverwerkingprijs tot 6,4 euro en een verlaging van de uitbreidingsmogelijkheid tot 56.000 kilogram stikstof. In dit geval zal het inkomen van de sector nog 172.569.399,33 euro bedragen. Het totale aantal landbouwbedrijven in de sector zal eveneens afhangen van de wijzigingen in beide variabelen. Het grootste aantal ondernemingen, met name 299 bedrijven, zal werkzaam blijven bij een uitbreidingsmogelijkheid van 56.000 en een mestverwerkingprijs van 6,4 euro. Bij een verhoging van de mogelijkheid tot uitbreiden tot 104.000 kilogram, gepaard gaande met een mestverwerkingprijs van 3,44 euro, zullen er nog slechts 119 landbouwondernemingen actief zijn. De analyse toont dus aan dat een ongebreidelde uitbreidingsmogelijkheid financieel interessant kan zijn maar er tezelfdertijd voor zorgt dat er een intensivering optreedt waarbij vele landbouwbedrijven de sector zullen verlaten. De wenselijk hiervan kan in twijfel getrokken worden en er dient dan ook verder nagedacht te worden over een uitbreidingsniveau waarbij zowel rekening gehouden wordt met de kleinere landbouwbedrijven als met een kostenefficiënte werkwijze.
URI: http://hdl.handle.net/1942/1255
Category: T2
Type: Theses and Dissertations
Appears in Collections: Master theses

Files in This Item:

Description SizeFormat
N/A6.2 MBAdobe PDF

Items in DSpace are protected by copyright, with all rights reserved, unless otherwise indicated.