www.uhasselt.be
DSpace

Document Server@UHasselt >
Education >
Faculty of Business Economics >
Master theses >

Please use this identifier to cite or link to this item: http://hdl.handle.net/1942/1240

Title: Verschillen in prestaties van bedrijven uit België en het Verenigd Koninkrijk op basis van jaarrekeningenonderzoek
Authors: WINTERS, Laura
Issue Date: 2006
Abstract: De prestaties tussen de ondernemingen van verschillende landen kunnen onderling erg verschillen, hierdoor is het belangrijk om deze verschillen te analyseren en te begrijpen. In deze eindverhandeling is gekozen om de prestaties van de Belgische ondernemingen te vergelijken met deze van de Britse ondernemingen. De centrale onderzoeksvraag van deze thesis luidt dan ook als volgt: “Welke zijn de verschillen in prestaties tussen Belgische en Britse bedrijven op basis van jaarrekeningonderzoek?” Aan de hand van een literatuurstudie en een praktijkonderzoek zal er getracht worden op deze vraag een antwoord te geven. De literatuurstudie begint met een macro-economische analyse van België (hoofdstuk 2) en het Verenigd Koninkrijk (hoofdstuk 3) uit te voeren. In beide hoofdstukken wordt met een zelfde structuur gewerkt. Er wordt namelijk begonnen met de BBP-groei overheen de periode te bespreken. Voor België kan men uit deze reële BBP-groei afleiden dat 1996, 1998, 2001 en 2002 economisch slechtere jaren waren. In het Verenigd Koninkrijk waren dan weer de jaren 1996, 1999, 2001 en 2002 slechtere jaren voor de reële BBP-groei. De economische vertraging die in België in 1998 optrad, was in het Verenigd Koninkrijk pas op te merken in 1999. Deze BBP-groei wordt in deze hoofdstukken ook verder opgesplitst naar de groei in de belangrijkste bestedingscategorieën, voor een bespreking hiervan wordt verwezen naar de respectievelijke hoofdstukken. Een volgend onderdeel van deze macro-economische structuur is de toegevoegde waarde per sector (landbouw, bouw, industrie en diensten). Hierbij was op te merken dat de groei in toegevoegde waarde in de verschillende sectoren niet altijd hetzelfde verliep voor België als voor het voor het Verenigd Koninkrijk. De belangrijkste verschillen was dat de industriesector in België slechts in 1998 en 2001 een vertraging kenden, terwijl dat in de UK deze sector in 1998 een vertraging en in 2001 en in 2002 zelfs een daling kenden. Verder wordt er in deze hoofdstukken ingegaan op de werkgelegenheid en de loonkosten. Wat betreft de werkgelegenheid worden de activiteitsgraad, de tewerkstellingsgraad, flexibiliteit van de arbeidsmarkt, de werkloosheidsgraad en de langdurige werkloosheid behandeld. Een eerste vaststelling hierbij is dat zowel de activiteitsgraad als de tewerkstellingsgraad continu hoger is voor het Verenigd Koninkrijk dan voor België. Dit wil dus zeggen dat de UK een hoger percentage van actieven en tewerkgestelden heeft ten opzichte van de totale bevolking. Wat betreft de flexibiliteit valt op te merken dat zowel het aantal deeltijdswerkenden als de hoeveelheid mensen die met een tijdelijk contract werken telkens hogere waarden vertonen voor de UK dan voor België. Daarnaast is de werkloosheid en de langdurige werkloosheid over de hele periode gezien (1996-2002) in beide landen teruggelopen, maar in het Verenigd Koninkrijk is deze daling iets groter. De reële loonkosten tonen echter voor de privé sector een continue stijging voor de UK, maar voor België tonen deze gegevens een lichte daling in het jaar 2000. Een ander onderdeel van de macro-economische achtergrond is het inflatiepeil. Deze wordt gemeten aan de hand van de geharmoniseerde index van de consumptieprijzen en vertoonde voor beide landen in het algemeen een daling. Voor België was er echter in 1999 en in 2000 een stijging op te merken, terwijl de UK slechts een stijging in haar inflatiepeil toonde in het jaar 2001 en 2002. Ook valt hierbij op te merken dat in 1996 de inflatie in België lager was dan in de UK, terwijl in 2002 het omgekeerde was op te merken. Verder wordt in deze hoofdstukken ook nog even kort ingegaan op de geografie van beide landen en wordt er in het hoofdstuk 3 ook nog ingegaan op de wisselkoersen en de kwestie van ‘al dan niet euro’ voor het Verenigd Koninkrijk. De wisselkoersen toonden voor het eerste deel van de periode, namelijk gedurende 1996-2000 telkens een waardestijging van de Britse pond ten opzichte van de Belgische frank en ten opzichte van de euro vanaf 1999. In 2001-2002 was er dan weer telkens een waardedaling van de pond ten opzichte van de euro waar te nemen. In het volgende hoofdstuk wordt er ingegaan op de berekeningen van de ratio’s, eventuele verschillen tussen de berekeningswijze van beide landen en de toepasbare testen. Hierbij is de niet-parametrische Mann-Whitney Test als geschikte test gevonden. In het vijfde hoofdstuk is dan het praktijkonderzoek uitgewerkt, dat begon met een korte beschrijving van het databestand. Verder worden in dit hoofdstuk vier groepen ratio’s behandeld, namelijk liquiditeitsratio’s, solvabiliteitratio’s, rentabiliteitsratio’s en groeiratio’s. Per specifieke ratio wordt eerst een beschrijving gegeven over de gegevens van deze ratio in het databestand. Daarna wordt hierop de Mann-Whitney Test uitgevoerd en gezocht naar mogelijke verklaringen voor de verschillen. De resultaten van dit hoofdstuk zullen hier heel kort worden toegelicht, voor een volledige beschrijving kan naar hoofdstuk 5 verwezen worden. Voor de liquiditeitsratio’s in het algemeen presteren de Belgische ondernemingen beter dan de Britse. De rotatie van de voorraden vormt hier echter een uitzondering op en ook het feit dat op het einde van de periode de verschillen voor de liquiditeit in ruime en in enge zin niet significant wordt, duidt op een verbetering van de Britse prestaties. De solvabiliteitsratio toonde in het begin van de periode (1996) ook nog betere prestaties voor België, maar moest vanaf 2000 ook betere waarden optekenen voor de Britse ondernemingen. In de groep van rentabiliteitsratio’s valt op te merken dat zowel de rentabiliteit van het eigen vermogen als de rentabiliteit van het totaal vermogen hogere waarden geeft voor de UK dan voor België. Belgische bedrijven maken echter wel meer gebruik van de financiële hefboomwerking. De netto verkoopsmarge toonde ook hogere waarden voor de Britse bedrijven in het begin van de periode, maar dit verschil verkleinde echter. De drie groeiratio’s toonden in het algemeen ook betere waarden voor het Verenigd Koninkrijk dan voor België. De groei in het personeelsbestand toonde zo in het begin van de periode hogere waarden voor de UK, maar in 2001 een hogere waarde voor België, wat vooral te wijten was aan een betere aanpassing van het Brits arbeidsvolume aan de economisch slechtere periode. De groei in het balanstotaal en de groei in de omzet toonden in het algemeen ook betere waarden voor de UK dan voor België. Wat betreft de omzetgroei was het jaar 2000 hier wel een uitzondering op, aangezien de Britse omzet dit jaar trager groeide dan de Belgische, wat verklaard kan worden door een depreciatie van de euro. Uit deze resultaten kan men als voornaamste conclusies afleiden dat zeker wat de solvabiliteit en de rentabiliteit betreft, er mogelijkheden zijn tot verbetering voor de Belgische ondernemingen. Deze conclusies zijn weergegeven in hoofdstuk 6. Wat betreft de groei van personeelsbestand zijn er nog verbeteringspunten op het gebied van de flexibilisering van het arbeidsvolume, aangezien dit voor de ondernemingen een betere aanpassing aan de werkelijke economische toestand zou mogelijk maken.
URI: http://hdl.handle.net/1942/1240
Category: T2
Type: Theses and Dissertations
Appears in Collections: Master theses

Files in This Item:

Description SizeFormat
N/A1.04 MBAdobe PDF

Items in DSpace are protected by copyright, with all rights reserved, unless otherwise indicated.