www.uhasselt.be
DSpace

Document Server@UHasselt >
Education >
Faculty of Business Economics >
Master theses >

Please use this identifier to cite or link to this item: http://hdl.handle.net/1942/1171

Title: Welvaartseconomische analyse van het monopolie in de Belgische electriciteitsproductie.
Authors: ERNON, Adriaan
Issue Date: 2005
Abstract: De afgelopen jaren verscheen de elektriciteitssector vaak in de actualiteit. Hoofdzakelijk twee redenen liggen aan de basis hiervan. Enerzijds heeft de liberalisering van de sector, onder invloed van de Europese richtlijn, de traditionele structuren omvergeworpen. Deze wijzigingen waren noodzakelijk om meer concurrentie tot stand te doen komen. Anderzijds kwam Electrabel, als de Belgische private elektriciteitsonderneming, vaak in opspraak omdat het door verschillende organisaties van machtsmisbruik beschuldigd werd. Electrabel is de grootste Belgische elektriciteitsonderneming. Het is opgericht in 1990 uit een hergroepering van drie private bedrijven Ebes, Intercom en Unerg. Daardoor beschikte Electrabel over ongeveer 91 % van de totale productiecapaciteit. Sindsdien is dit aandeel maar lichtjes gedaald in het voordeel van bijvoorbeeld SPE, de openbare producent. Het gedeelte dat de zelfproducenten innemen is te verwaarlozen. Deze groep wekt enkel elektriciteit op voor eigen gebruik wat het belang verder beperkt. De verticaal geïntegreerde structuur leverde eveneens een bijdrage aan de machtspositie. Dit houdt in dat Electrabel niet enkel actief is in de productie van elektriciteit, maar ook in de distributie ervan en het beheer van elektriciteitsnetwerken. Electrabel bevindt zich werkelijk in ieder deel van de markt. Tijdens de jaren negentig waren ze gedeeltelijk verantwoordelijk voor het Belgische hoogspanningsnetwerk via een samenwerkingsverband met SPE. Omdat Electrabel een belangrijke partner was van de gemengde intercommunales beschikten ze ook over medezeggingsschap met betrekking tot de laagspanningsactiviteiten in het distributienetwerk. Enkel in de verkoop van stroom aan kleinere eindeverbruikers hadden ze geen enkele verantwoordelijkheid. De hele structuur wijzigt na aanvaarding van de Europese elektriciteitsrichtlijn. Deze betreft de gemeenschappelijke regels voor de interne markt van elektriciteit. De belangrijkste bepaling was de scheiding tussen de subsectoren. Een onderneming actief in de opwekking van stroom moest onafhankelijk van bedrijven uit de hoogspannings- en laagspanningsnetexploitatie opereren. De netexploitatie moest zodoende de onafhankelijkheid waarborgen om iedereen toegang tot zijn netten te verlenen tegen niet-discriminerende voorwaarden. Op dit vlak blijft een gereguleerde monopoliepositie bestaan, maar de regelgeving probeert de productie van elektriciteit concurrentieel te maken. Andere partijen kunnen nu productie-eenheden bouwen. De richtlijn werd in een strengere Belgische wetgeving geratificeerd. De analyse hiervan werd bemoeilijkt door de bevoegdheidsverdeling tussen het federale niveau en de gewesten. De wetgeving legt de juridische onafhankelijkheid op, om de onafhankelijkheid van de partijen te waarborgen. Er werd ook een versnelde vrijmaking nagestreeft. Dit kwam duidelijk tot uiting in de federale wet en in het Vlaamse decreet. Electrabel moest haar structuur aanpassen aan de nieuwe regelgeving. In de daaropvolgende jaren zijn er een hele reeks dochterondernemingen opgericht om aan de eisen te voldoen. Elia kwam tot stand om de hoogspanningsactiviteiten te blijven uitvoeren, Electrabel netmanagement ontstond voor een deel om van de laagspanningsactiviteiten te verzorgen en Electrabel Customer Solutions werd opgericht als leverancier. De vraag is daarbij in hoeverre de machtspositie van Electrabel aangetast is door de vernieuwingen. Een afname van de macht zou een positieve ontwikkeling kunnen zijn. De structuur in de sector blijft hoe dan ook ondoorzichtig. De klassieke monopolietheorie veronderstelt namelijk misbruik door machtsposities. Monopolisten verkopen bewust kleine hoeveelheden om de prijs te kunnen opdrijven. Een consument wordt benadeeld omdat hij ondanks de hogere prijs minder kan consumeren. Consumenten zien hun inkomen dalen in het voordeel van de monopolist, die excessieve winsten behaalt. Dit gedrag is nauwkeurig onderzocht door verschillende economisten. Langs de distortie die ontstaat, ontdekte Antoine Cournot het bestaan van het welvaartsverlies. Alfred Marschall behandelde de theorie hieromtrent uitvoerig. Het welvaartsverlies ontstaat omdat de gewenste consumptie niet bereikt wordt. Een andere reden voor het ontstaan van het verlies volgt uit de inefficiënte productie. Schaalvoordelen verminderen de kosten per eenheid. Door het beperkte aanbod maakt de monopolist niet optimaal gebruik van de voordelen, waardoor de kost per eenheid stijgt. De middelen worden niet meer op de meest efficiënte manier verbruikt. Door dit gedrag daalt de welvaart voor de hele maatschappij. Het welvaartsverlies werd niet berekend. Enkel de theorie werd uiteengelegd zonder een methode te bepalen aan de hand waarvan het verlies berekend zou kunnen worden. Het is pas in 1954, wanneer Harberger zijn werkstuk ‘Monopoly and resource allocation’ publiceert, dat een techniek wordt voorgesteld. Op basis van de gegevens uit de jaarrekeningen berekent hij het verlies dat ontstaat ten gevolge van de machtsposities in de industriële sector van de Verenigde Staten. Deze techniek wordt in dit werk toegepast op de resultaten van Electrabel. Terwijl andere studies voornamelijk de elektriciteitstarieven vergelijken met de prijzen uit de buurlanden, ligt de nadruk hier in het bestuderen van de winsten. De boekhoudkundige winsten worden met een gemiddelde vergeleken om te bepalen of ze werkelijk te hoog liggen. Door rekening te houden met de omzet wordt het welvaartsverlies bepaald dat ontstaat door de bijna-monopoliepositie van Electrabel in de elektriciteitssector. Uit de berekeningen blijkt het verlies niet erg hoog te liggen. Zeker wanneer rekening gehouden wordt met het aantal elektriciteitsverbruikers liggen de bedragen vrij laag. In verhouding met het bruto nationaal product zijn de uitkomsten laag, zelfs ten opzichte van de winst. Hieruit zou de conclusie getrokken kunnen worden dat Electrabel te goeder trouw handelt. Misschien ontstaan die positieve getallen door de prijsdiscriminatie. Electrabel hanteert een hele reeks tarieven. Bedrijven betalen lagere bedragen. Ook huishoudens die over een laag inkomen beschikken, vertrouwen op gunstige maatregelen waardoor ze voldoende kunnen verbruiken. Facturen van andere gezinnen kunnen veel hoger liggen. Electrabel levert met andere woorden veel elektriciteit waardoor het welvaartsverlies daalt. De discriminatie, die de mogelijkheid biedt de verbruikers in meerdere groepen te verdelen, doet echter de meerwaarde dalen voor de consument. Hij betaalt juist wat hij bereid is af te staan. De tarievenstructuur zou daarom in vraag gesteld kunnen worden. Hierbij moet wel rekening gehouden worden met de maatregelen die de overheid uitstippelt in het voordeel van de lagere inkomensklassen. De prijzen worden ook hierdoor beïnvloed en het lage welvaartsverlies zou gedeeltelijk door een goede overheidsinterventie verklaard kunnen worden. In het laatste hoofdstuk wordt uiteindelijk het welvaartsverlies geschat voor de Belgische economie. Opnieuw zijn de uitkomsten laag, maar hiermee liggen we in lijn met de conclusies van Harberger (1954), die eveneens lage resultaten opmerkt. De conclusie luidt dat hier toch voldoende aandacht aan besteed moet worden. Het gewicht van sommige sectoren is erg groot in dit verlies. De bijdrage van Electrabel is bescheiden, maar toch moet het verlies verder ingeperkt worden.
URI: http://hdl.handle.net/1942/1171
Category: T2
Type: Theses and Dissertations
Appears in Collections: Master theses

Files in This Item:

Description SizeFormat
N/A1.13 MBAdobe PDF

Items in DSpace are protected by copyright, with all rights reserved, unless otherwise indicated.