www.uhasselt.be
DSpace

Document Server@UHasselt >
Education >
Faculty of Business Economics >
Master theses >

Please use this identifier to cite or link to this item: http://hdl.handle.net/1942/1048

Title: Ontwikkelingslanden en het WTO
Authors: DE MAEYER, Tom
Issue Date: 2006
Abstract: Een groter onrecht dan honger in de wereld is nauwelijks denkbaar. Vele wetenschappers hebben immers berekend dat de planeet waarop wij leven, de aarde, voldoende grondstoffen biedt om ieder individu een menswaardig bestaan aan te bieden. Het is nu juist aan organisaties zoals de WTO om een oplossing te vinden voor deze problematiek. Het thema van deze eindverhandeling luidt: “Ontwikkelingslanden en de WTO”. In mijn thesis zal ik vooral trachten om internationale organisaties zoals de WTO te plaatsen binnen de ontwikkelingsproblematiek. De centrale onderzoeksvraag van mijn thesis luidt dan ook: “Wat is de huidige toestand van de ontwikkelingslanden en functioneren organisaties zoals de WTO wel goed?” Voor mijn literatuurstudie heb ik relevante informatie gezocht in wetenschappelijke boeken en tijdschriften maar ook het Internet heeft zijn steentje bijgedragen tijdens het schrijven van deze eindverhandeling. Ik zal in deze eindverhandeling uitgaan van een welbepaalde visie op de onderontwikkelingsproblematiek. Een visie die vertrekt bij scheefgetrokken machtsverhoudingen, zowel op wereldvlak als binnen de afzonderlijke landen. Op wereldschaal verrijken de noordelijke landen zich immers nog steeds ten koste van de Derde Wereld. Hoewel de economische toestand van ontwikkelingslanden vooral intern bepaald wordt, zijn vele economen er toch van overtuigd dat internationale handel ten goede zou komen voor het ontwikkelingsproces van deze landen. Doet men dit niet als ontwikkelingsland dan ontloopt men de kans op stabielere exportprijzen, meer innovatie en een betere verdeling van het inkomen voor de inwoners van de natie. We mogen besluiten dat de ontwikkelingslanden zelf een negatief oordeel hebben over het volgen = van de traditionele handelstheorie bij het ontwikkelingsproces van een land. Ontwikkelingslanden hebben te kampen met tal van problemen. Zo is er bijvoorbeeld sprake van instabiliteit in de export, protectionisme van ontwikkelde landen, grondstofproblemen, schuldencrisis en tal van andere tekortkomingen. Daar mijn thesis vooral gaat over de WTO lijkt me een korte introductie wel noodzakelijk. De WTO is ontstaan uit de Uruguay-Ronde en is het enige globale beslissingsorgaan dat zich bezighoudt met de handelsrelaties tussen verschillende naties. Ongeveer drievierde van de ongeveer 200 landen in de wereld zijn lid van de WTO. De WTO is opgericht met de bedoeling om een drietal basisprincipes na te streven. Deze zijn het non-discriminatie-principe, de wederkerigheid van concessies en de verhoogde doorzichtigheid van protectie. Meer dan 3/4 van de leden van de WTO zijn ontwikkelingslanden. Alle beslissingen die genomen worden door de WTO vestigen dus extra aandacht op de problematiek binnen deze landen. Ook de Ministeriële Conferentie in 2001 in Doha gaf hieraan speciale aandacht. Toch zijn er al een aantal tekortkomingen vast te stellen van de Doha Ronde. Zo is men van oordeel dat dit slechts een zeer globaal ontwerpakkoord is, dat alleen richtingen aangeeft op hoofdlijnen. Ook organisaties zoals het IMF, de Wereldbank en de UNCTAD zullen kort worden toegelicht in mijn eindverhandeling. Vervolgens leek het mij ook interessant om even stil te staan bij de Millenniumdoelstellingen die toch onze hedendaagse aandacht vragen. Hiervoor verwijs ik door naar de desbetreffende hoofdstukken. Het leek mij noodzakelijk om eerst op zoek te gaan naar een goede definitie van ontwikkeling. Sen (1998) geeft een definitie van ontwikkeling in termen van de algemene vrijheid die een persoon geniet om een leven te leiden dat hij/zij als zinvol kan ervaren. = Om van echte economische ontwikkeling te kunnen spreken is een gelijkmatige verspreiding van de toename in de levensstandaard noodzakelijk. Economische onderontwikkeling blijft echter de dag van vandaag toch voortbestaan. Er worden vaak argumenten naar voren geschoven als oorzaak voor de economische achterstand van ontwikkelingslanden. Zo spreekt men van de koloniale uitbuiting, de politieke instabiliteit, de beschikbaarheid van efficiënte productie- en organisatie methoden, een hoge groei van de bevolking, een foutief binnenlands sociaal economisch beleid en het ethisch onjuiste gedrag van de plaatselijke overheden. Buiten de voorgaande economische verklaringen spelen ook sociale, culturele, historische en psychologische factoren een rol. De WTO staat bloot aan hevige kritiek. Velen zien de WTO als een organisatie die door het centraal stellen van handelsliberalisering heel wat neveneffecten teweegbrengt. De WTO wordt door de ontwikkelingslanden zelfs vaak gezien als een institutie die de ongelijkheden in de wereldhandel eerder bestendigt dan verkleint. Ik heb dan ook getracht om in mijn eindverhandeling de belangrijkste tekortkomingen en aanbevelingen op te nemen en licht deze vervolgens kort toe. Vele ontwikkelingslanden beschikken niet over het vermogen om gebruik te kunnen maken van de handelsvoordelen die de WTO voor hen eventueel zou opleveren. Ook kan vastgesteld worden dat handelsliberalisering binnen de WTO een relatief begrip is. Toch is men van oordeel dat er met de nodige voorzichtigheid moet worden omgesprongen alvorens men iemand beschuldigt. Vele economen en landen-leden van de WTO pleiten voor een aparte behandeling voor de armste ontwikkelingslanden, beter bekend als de Special and Differential Treatment (SDT). Het is echter zo dat wanneer ontwikkelingslanden door deze speciale behandeling hun economie meer kunnen beschermen dit contraproductief zal zijn. = Anderzijds is men toch van oordeel dat een differentiële aanpak nodig is maar dit dan enkel om de ontwikkelingslanden te betrekken tot een dialoog. Als men een economie opent voor buitenlandse competitie gaat dit steeds gepaard met de nodige overnames van bedrijven in het ontwikkelingsland. Door de anti-globalisten wordt dit verlies aan lokale controle vaak bekritiseerd en uiten ze hun verwijten aan de WTO. De WTO is overigens een ‘member-driven’ organisatie. Uit onderzoek is gebleken dat van de 100 ontwikkelingslanden er meer dan de helft niet effectief deelnemen. Het probleem is dat de toegang in de praktijk meestal beperkt wordt tot de meest belanghebbenden of tot enkele landen uit de groep van de meest belanghebbenden. Vele ontwikkelingslanden zijn ook nog steeds geen lid van het multilaterale handelssysteem van de WTO en de toegang verloopt zeer moeizaam. Dit gebrek aan participatie kent belangrijke gevolgen voor nationale en globale beleidsvorming met het oog op internationale handel. Volgens economen zoals Bullard (2005) zijn zelfs de fundamenten van de WTO fout. Openheid, integratie en markttoegang worden vaak niet bereikt. Ook het handelsregime met betrekking op de export kent niet de gewenste positieve gevolgen. Er zijn vele ontwikkelingslanden die een stijgende exportbeweging kenden maar dit leidde niet tot stijgingen in de tewerkstelling noch in de inkomens. Ook ontstaan er problemen met betrekking tot de landbouw in ontwikkelingslanden. Volgens Chanyapate (2005) leidt het handelsregime van de WTO in combinatie met het beleid van de Wereldbank en het IMF tot een vernietiging van de landbouw in de ontwikkelingslanden. Er duiken ook problemen op met betrekking tot de ‘intellectual property rights’. Das (2005) wijst er ons bijvoorbeeld op dat ontwikkelingslanden verplicht zijn zich aan te passen aan regels betreffende de intellectuele eigendomsrechten waar de ontwikkelde = industrielanden dit niet meer hoeven te doen. Zo ontstaat er een status quo in de industrielanden met een negatief effect op de ontwikkelingslanden. Ook heeft volgens Bullard (2005) de TRIPS overeenkomst van de WTO weinig te maken met handel. De patenthouder kan immers zijn monopoliekracht blijven uitoefenen op potentiële klanten. Door de geschillenbemiddeling van de WTO (Dispute Settlement System) is het weliswaar mogelijk geworden dat een ontwikkelingsland de VS laat veroordelen. Toch wijst Hoekman et al (2002) er op dat het Dispute Settlement System adequater te werk zou moeten gaan. Er is nog steeds sprake van een te hoge bureaucratie. De grootste uitdaging voor de WTO bestaat erin om extra aandacht te schenken aan de vraagstukken die tijdens de Uruguay Ronde niet of slechts gedeeltelijk werden opgelost. Zo moet men eerst nagaan in welke mate het geoorloofd is handelspolitieke maatregelen te nemen alvorens tot actie over te gaan. Algemeen kunnen we besluiten dat de tekortkomingen van handelsliberalisatie en de exportobsessie maar traag worden opgevolgd door organisaties zoals de WTO, Wereldbank of IMF. Een groot gedeelte van de landen-leden hebben nog steeds te kampen met ernstige armoede. Het gaat hier vooral over ontwikkelingslanden die hun economie hebben opengesteld. Het enige wat de WTO aanbiedt als oplossing is het ‘blind vertrouwen’ van handelsliberalisatie. Ditzelfde vertrouwen heeft geleid tot stagnatie en disintegratie van de gehele economie in ontwikkelingslanden.
URI: http://hdl.handle.net/1942/1048
Category: T2
Type: Theses and Dissertations
Appears in Collections: Master theses

Files in This Item:

Description SizeFormat
N/A674.93 kBAdobe PDF

Items in DSpace are protected by copyright, with all rights reserved, unless otherwise indicated.