www.uhasselt.be
DSpace

Document Server@UHasselt >
Education >
Faculty of Business Economics >
Master theses >

Please use this identifier to cite or link to this item: http://hdl.handle.net/1942/1040

Title: Dienstencheques vanuit werkgeversperspectief
Authors: COENEN, Wim
Issue Date: 2006
Abstract: Het nieuwe systeem van de dienstencheque is vanaf 1 januari 2004 van start gegaan. Het is een initiatief van de federale regering tot bevordering van buurtdiensten en –banen. Het systeem van de dienstencheques heeft betrekking op drie doelgroepen: de gebruikers, de werknemers en de erkende ondernemingen. In deze eindverhandeling worden de bevindingen en ervaringen van de erkende ondernemingen onderzocht. De centrale onderzoeksvraag luidt als volgt: Hoe ervaart de werkgever het gebruik van de dienstencheque? Als aanvulling op deze centrale onderzoeksvraag wordt tevens onderzocht hoe de ondernemingen staan tegenover een uitbreiding van het takenpakket. Dit bijkomend onderzoek heeft als onderzoeksvraag: Welke taken kunnen volgens de bevoorrechte getuigen aan het huidige takenpakket van de dienstencheques toegevoegd worden? Om een antwoord op deze twee onderzoeksvragen te formuleren, wordt een literatuurstudie uitgevoerd en worden verschillende erkende ondernemingen geïnterviewd. In de literatuurstudie wordt eerst de historiek van de dienstencheque toegelicht. Het dienstenchequesysteem vindt zijn oorsprong in 1987. Dit was het jaar waarin toenmalig minister van Arbeid en Tewerkstelling, Michel Hansenne, de problematiek rond de langdurige werklozen wou aanpakken met “de experimenten Hansenne”. Op 1 juni 1994 werd het stelsel van de PWA hervormd door toenmalig minister van Arbeid, Miet Smet. De doorgevoerde veranderingen pasten in het kader van het Globaal Plan voor werkgelegenheid, concurrentievermogen en sociale zekerheid. Uit studies bleek dat het PWA, ondanks het invoeren van de wet van 17 april 1999 betreffende de PWA-arbeidsovereenkomst, geen oplossing was voor het werkloosheidsprobleem. Minister van Arbeid en Tewerkstelling, Laurette Onkelinx, besloot daarom over te gaan naar een ander systeem, de dienstencheque. Deze dienstencheques werden al eerder geïntroduceerd door Miet Smet maar dan onder de naam “schildercheques”. Deze cheques konden gebruikt worden door natuurlijke personen voor het laten uitvoeren van kleine karweitjes zoals binnenhuiswerken van schilderen en behangen. De schildercheques waren te duur voor de overheid en creëerden geen bijkomende tewerkstelling. Het gevolg was dat de schildercheques door minister Onkelinx afgeschaft werden. Onder mevrouw Onkelinx werd de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en –banen gestemd. Deze wet had betrekking op het eerste systeem van de dienstencheque en ging van start op 1 mei 2003. Frank Vandenbroucke, toenmalig minister van Werk en Pensioenen, wou het systeem van de dienstencheque versoepelen en uitbreiden. Onder zijn bevoegdheid werden een aantal veranderingen doorgevoerd zoals het onderscheid tussen de categorie van werknemers en de financiering. 1 januari 2004 was de startdatum van het tweede systeem van de dienstencheques. In het volgende deel van de literatuurstudie wordt een duidelijke definitie gegeven van de dienstencheque en worden alle aspecten van de huidige dienstencheque beschreven. De gebruikers zijn uitsluitend natuurlijke personen met woonplaats in België. Indien de gebruikers willen genieten van het systeem van de dienstencheques, moeten ze zich eerst inschrijven bij Accor TRB. Dit is het bedrijf dat belast is met het beheer van de dienstencheques. Na de inschrijving kunnen de dienstencheques besteld worden. De kostprijs van de dienstencheques bedraagt nu €6,70, maar na de belastingsvermindering van 30% wordt de prijs €4,69. Voor de werknemers kan een indeling gemaakt worden in categorie A en B. De gebruiker betaalt de werknemer per gepresteerd uur (een begonnen uur = een gepresteerd uur) één dienstencheque. De erkende ondernemingen kunnen zowel commerciële als niet-commerciële bedrijven zijn. Ze zijn verplicht om een erkenning aan te vragen en moeten aan bepaalde voorwaarden voldoen. Elke onderneming krijgt per ingeleverde cheque een bedrag van €21. Er wordt ook toegelicht welke de toegelaten activiteiten zijn in het systeem van de dienstencheque. In het tweede hoofdstuk van de literatuurstudie worden de recente regelingen en wijzigingen met betrekking tot de dienstencheques opgenomen. Dit hoofdstuk is nodig om een zo volledig mogelijk beeld van het systeem te geven. Een eerste nieuwe regeling houdt in dat vrouwelijke zelfstandigen vanaf 1 januari 2006 zeventig dienstencheques krijgen voor moederschapshulp. Een tweede regeling heeft betrekking op het actieplan voor occasionele opvang van minister Vervotte en minister Van Brempt. Men wil de dienstencheques gebruiken voor kinderopvang bij de particulier thuis. In een derde nieuwe regeling wil de overheid dat op 1 september de elektronische dienstencheque voor alle erkende ondernemingen toegankelijk wordt. De pilootfase start op 1 juni 2006 en zal drie maanden duren. In dit hoofdstuk worden tevens de recente wijzigingen binnen het dienstenchequesysteem opgenomen. In het tweede deel van de eindverhandeling, het empirisch onderzoek, wordt aan de hand van interviews met de erkende ondernemingen onderzocht hoe ze het systeem van de dienstencheque ervaren in hun dagelijks gebruik. De verschillende aspecten van de dienstencheques worden als leidraad gebruikt doorheen het onderzoek. Vanuit de antwoorden over hun dagelijkse ervaringen met de dienstencheques kunnen de knelpunten afgeleid worden. De vragen over de aspecten van de dienstencheque worden in het onderzoek aangevuld met eigen bevindingen over het dienstenchequesysteem. Deze eigen bevindingen worden voorgelegd aan de verschillende erkende ondernemingen en in hoofdstuk 5 uitgewerkt. Het tweede hoofdstuk van het empirisch onderzoek gaat na met welke taken het systeem van de dienstencheque kan uitgebreid worden. Hieruit kan besloten worden dat de ondernemingen vooral een uitbreiding naar tuinonderhoud en klusjes mogelijk achten. Wat betreft kinderopvang aan huis kan een onderscheid gemaakt worden tussen de interimkantoren en de overige ondernemingen. De interimkantoren zijn hevige voorstanders van deze mogelijke uitbreiding naar opvang omdat ze weten dat er veel vraag naar is. De overige ondernemingen maken enkele bedenkingen over de kwaliteitsgarantie, de controle en de opleidingen. Een uitbreiding van het dienstenchequesysteem naar de fruitteelt of de horeca wordt volledig afgewezen door de onderzochte ondernemingen.
URI: http://hdl.handle.net/1942/1040
Category: T2
Type: Theses and Dissertations
Appears in Collections: Master theses

Files in This Item:

Description SizeFormat
N/A794.47 kBAdobe PDF

Items in DSpace are protected by copyright, with all rights reserved, unless otherwise indicated.